Persoonlijke hulpmiddelen

volgende
vorige
items

Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Sound and independent information
on the environment

U bent hier: Home / Artikelen / Vis op het droge - Zeebeheer in een veranderend klimaat

Vis op het droge - Zeebeheer in een veranderend klimaat

Taal wijzigen:
Een vissersverhaal. In de nacht van 6 oktober 1986 vonden kreeftenvissers uit het Deense stadje Gilleleje, ten noorden van Kopenhagen, hun netten vol Noorse kreeften, terwijl ze op visvangst waren in het Kattegat. Veel van de dieren waren dood of stervende. Bijna de helft had een vreemde kleur.

Als ze twee jaar lang met rust zou worden gelaten, zou de kabeljauwpopulatie in de Oostzee zich weer herstellen.

Henrik Sparholt, Advisory Programme Professional Officer bij de Internationale raad voor het onderzoek van de zee (ICES)

Waarnemingen van in water opgeloste zuurstof in combinatie met de dode kreeften vertelden onderzoekers van het nationale instituut voor milieuonderzoek in Denemarken dat een ongewoon groot gebied op de bodem van het zuidelijk deel van het Kattegat geen zuurstof meer bevatte. De vreemde gebeurtenissen werden veroorzaakt door 'anoxia', een gebrek aan zuurstof op de zeebodem dat die nacht was opgetreden. Volgens wetenschappers waren de kreeften gestikt!

Tweeëntwintig jaar later zijn grote delen van het Oostzeegebied aangetast door zuurstofloze oftewel 'dode' zones.

Instorting van de visserij op Bornholm

Bornholm, een idyllisch Deens eiland dat aan de ingang van de Oostzee ligt, min of meer tussen Zweden, Duitsland en Polen in, is welbekend om zijn gerookte haring. Eeuwenlang was de overvloed aan vis de hoeksteen van de plaatselijke economie.

In de jaren zeventig was ongeveer de helft van het inkomen uit de visserij afkomstig van kabeljauw. Tegen het eind van de jaren tachtig was de kabeljauwvisserij gegroeid tot 80 % van de totale waarde van de visserijsector van het eiland. Veel vissers stelden zich een gouden toekomst voor en investeerden in nieuwe schepen. Tegen 1990 was de visvangst echter sterk dalende en heeft zich sindsdien nooit meer hersteld. Door deze instorting kwam de locale gemeenschap onder zware financiële druk te staan.

De schaal en de snelheid van de instorting van het kabeljauwbestand in de Oostzee maakten dat er veel energie gestoken is in het begrijpen van de oorzaken van de 'boom' en de instorting die daarop volgde. De regio is een internationaal praktijkvoorbeeld geworden, waaruit lessen kunnen worden geleerd voor andere gebieden. Het verhaal van de Oostzee is niet eenvoudig. De complexiteit van de situatie illustreert de uitdaging waarmee beleidsmakers in het mariene milieu geconfronteerd worden.

Vissen naar gegevens

De vissers van Bornholm, net als hun collega's in de rest van Europa, zijn wettelijk gebonden aan strenge beperkingen die worden opgelegd door het Gemeenschappelijke Visserijbeleid dat bepaalt hoeveel vis van welk soort gevangen mag worden en waar.

De Raad voor het onderzoek van de zee geeft wetenschappelijk advies over biologisch veilige grenzen voor visbestanden. Visserijstatistieken, vangstgegevens en milieumonitoring van oceanografische omstandigheden verschaffen gegevens van onschatbare waarde voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van de meeste commercieel beviste soorten. Vooral het aantal vissen van een bepaalde leeftijd in een zone is een belangrijk gegeven. Hoe jonger de vissen zijn die in een bepaald jaar overleven, hoe meer vis er naar verwachting twee tot vijf jaar later gevangen kan worden, wanneer de vissen volwassen zijn. En hoe ouder de vissen zijn die worden aangetroffen, hoe meer eieren er afgezet worden.

Nadat wetenschappelijk advies is uitgebracht, wordt er door de EU-lidstaten beslist over de totale toegestane vangsten (Total Allowable Catches  — TACs). Deze beslissingen weerspiegelen vaak andere prioriteiten dan de bescherming van visbestanden. In 2006 werd ongeveer 45 % van de geëvalueerde visvoorraden in de zeeën van Europa bevist in overtreding van de biologisch veilige grenzen. Deze grenzen werden vastgesteld op ministerieel niveau.

Vissen ademen in water opgeloste zuurstof in

Zowel het toegenomen gebruik van kunstmatige meststoffen in de landbouw als de verstedelijking,,heeft, vooral sinds de jaren 1960, geleid tot een drastische stijging van de instroom van voedingsstoffen — in feite verontreiniging — in de Oostzee. Dit heeft geleid tot meer groei van fytoplankton en een verhoogde visproductie (meer fytoplankton betekent meer voedsel voor de vissen). Dit heeft echter ook geleid tot grotere problemen met zuurstoftekorten (anoxia) in de diepere wateren van de zee.

Als het water dichtbij de zeebedding anoxisch wordt (geen zuurstof meer bevat), dan komt er zwavelwaterstof uit de zeebodem in het water terecht. Zwavelwaterstof is giftig voor de meeste levensvormen. Het was waarschijnlijk een combinatie van zwavelwaterstof en zuurstofgebrek die in de bewuste oktobernacht in 1986 de dood veroorzaakte van de Noorse kreeften in het Kattegat.

De anoxische zones in de Oostzee zijn nu zo groot, dat ze hebben geleid tot een verkleining van de paaigebieden in het centrale oostelijke gedeelte van de zee. Dit beperkt het paaisucces van kabeljauw.

Waarom waren het gouden tijd voor de kabeljauwvisserij in het begin van de jaren tachtig?

Het hoge overlevingspercentage van kabeljauweieren en larven tussen 1978 en 1983 kan worden verklaard door vier factoren. De eerste verklaring is, dat de druk van de visserij aan het eind van de jaren zeventig afnam. In de tweede plaats zorgden klimatologische omstandigheden voor de instroom van water met een hoog zoutgehalte vanuit de Noordzee. De Oostzee was een zoetwatermeer totdat de zeespiegel ongeveer 8.000 jaar geleden steeg, waardoor de Noordzee in het meer overstroomde. De 'invasies' van zoutwater in de Oostzee zijn nog steeds belangrijk voor het behoud van het zout‑ en zuurstofgehalte.

Deze instroom resulteerde in hogere zuurstofconcentraties in de paaigebieden van kabeljauw. Daardoor konden meer eieren overleven en kwam er dus meer jonge vis. Ten derde was er een overvloed aan larven van roeipootkreeftjes (pseudocalanus acuspes), de belangrijkste voedingsbron voor kabeljauw. Tenslotte was er een gebrek aan roofdieren, zoals sprot en zeehonden. Sprot aast op de eieren van kabeljauw en zeehonden op de vis zelf.

Wat ging er fout?

Sinds halverwege de jaren tachtig stroomden er minder grote hoeveelheden water uit de Noordzee binnen, met als resultaat slechte overlevingsvoorwaarden voor de eieren en dus minder jonge vis. Het lagere zoutgehalte heeft ook geleid dat de zee minder rijk werd aan roeipootkreeftjes , die een belangrijke voedingsbron zijn voor larven. Hoewel de biologisch veilige grenzen voor bevissing in de daarop volgende jaren werden verlaagd, hebben de politiek bepaalde vangstlimieten (TAC's) deze grenzen doorgaans overschreden (afbeelding 1).

Illegale visserij verergert het probleem. Naar schatting wordt nog eens 30 % illegaal binnengehaald in dit deel van de Oostzee. In de zomer van 2007 waren de illegale vangsten van de Poolse vissersvloot zo groot, dat de Poolse visserij in de tweede helft van 2007 werd stilgelegd door de Europese Commissie.

Afb. 1 / Wetenschappelijk aanbevolen vangstniveaus (gebaseerd op advies van de ICES, International Council for the Exploration of the Sea), de overeengekomen totale toegestane vangst (TAC) en de reële vangst in de visgebieden rond Bornholm, in de jaren 1989–2007. Bron: EMA, 2008.

En toen… klimaatverandering!

Klimaatverandering beïnvloedt zowel de temperatuur als de zoutbalans van de Oostzee. De stijging van de temperatuur van het diepere water zal de metabolische vraag naar zuurstof verhogen en de oplosbaarheid van zuurstof in het water beperken. Dat zal weer bijdragen aan de verdere geografische uitbreiding van anoxia. Het zoutgehalte van de Oostzee is gestaag gedaald sinds halverwege de jaren 1980. Dat komt doordat er meer regen valt en er minder water uit de Noordzee binnenstroomt.

Beide factoren worden beïnvloed door het klimaat. Een relatief kleine daling van het zoutgehalte is al genoeg om de balans te verstoren en de samenstelling van de habitat van de Oostzee te veranderen. Van de drie meest beviste soorten (kabeljauw, haring en sprot) is kabeljauw het gevoeligst voor een verminderd zoutgehalte, omdat het zoutgehalte zowel hun voortplantingsvermogen aantast als de beschikbaarheid van het lievelingsvoedsel van kabeljauwlarven.

 

Klimaatverandering zal de Oostzee beïnvloeden en ook haar vermogen om exploiteerbare kabeljauwbestanden te ondersteunen. Deze veranderingen moeten opgevangen worden met beheermaatregelen, als we de bestanden op een commercieel relevant niveau willen houden.
Professor Brian MacKenzie, DTU‑Aqua, Technische Universiteit van Denemarken

Prognoses voor het toekomstige oceaanklimaat van de Oostzee wijzen op een blijvende toename van de regenval en een afname van de instroom van water uit de Noordzee. Dit betekent dat de bestanden van kabeljauw en ander zeevissoorten waarschijnlijk verder zullen afnemen, tenzij de druk van de visserij wordt verminderd.

Afb. 2 / Schattingen van de graad van hypoxia (zuurstofgehalte van minder dan 2 ml/l) en anoxia (zuurstofgehalte nihil; vaak in combinatie met de aanwezigheid van waterstofsulfaat, dat met zuurstof reageert om sulfaat te produceren. Als deze reactie optreedt, worden zuurstofconcentraties als negatief aangemerkt) in de herfst van 2007. Bron: http://www.helcom.fi/environment2/ifs/ifs2007/en_GB/HydrographyOxygenDeep/.

Hoop voor de toekomst

In reactie op de complexe en ernstige milieuproblemen in de Oostzee zijn de landen uit de regio een 'Actieplan voor de Oostzee' overeengekomen om nationale maatregelen te ontwikkelen voor de integratie van landbouw-, visserij- en regionaal beleid. Dit plan, dat in november 2007 werd aangenomen, vormt een belangrijke basis voor de effectievere uitvoering van EU-beleid in dit gebied.

Het beleid omvat onder meer de nieuwe Kaderrichtlijn mariene strategie. In overeenstemming daarmee moeten de aangrenzende landen in 2020 een 'goede milieutoestand' van de Oostzee bereikt hebben. Daarbij moeten onder meer visserijgemeenschappen in een 'goede staat' teruggebracht worden.

Daarnaast ontwikkelt de Europese Commissie een regionale strategie voor de Oostzee, die zal uitmonden in een actieplan waarin de belangrijkste spelers, de nodige financiële instrumenten en een werkschema gedefinieerd worden. De goedkeuring van deze strategie door de lidstaten zal een van de prioriteiten zijn van het Zweedse voorzitterschap van de EU in de tweede helft van 2009. Zweden heeft het milieu van de Oostzee aangewezen als een van haar topprioriteiten.

Het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) werd opgezet om visserijactiviteiten te reguleren vanuit milieu-, economisch en sociaal oogpunt. De meeste commercieel waardevolle vissoorten in Europa zijn echter zwaar overbevist en hun populaties zijn nu kleiner dan de veilige biologische aantallen. De aard van de wetgeving maakt het duur en lastig om lidstaten die zich schuldig maken aan overbevissing met succes te vervolgen.

Tegen de achtergrond van het overduidelijke gebrek aan succes in het duurzame beheer van veel van de Europese visbestanden hebben mariene deskundigen opgeroepen tot een grondige herziening van het beleid, dat duidelijk het resultaat is van compromissen tussen landen. Het mariene milieu moet behandeld worden als een ecosysteem in plaats van een sector die commercieel geëxploiteerd kan worden.

De Europese Commissaris voor Maritieme Zaken en Visserij, Joe Borg, heeft zelfs gezegd dat het GVB geen stimulansen biedt voor verantwoordelijk gedrag van vissers en evenmin van politici. In september 2008 lanceerde hij een onmiddellijke herziening van het beleid, vier jaar eerder dan gepland.

 

Referenties

Diaz, R. J. and Rosenberg, R., 2008. Spreading Dead Zones and Consequences for Marine Ecosystems. ('De verspreding van dode zones en gevolgen voor mariene ecosystemen') Science, vol. 321, pp. 926–929.

Mackenzie, B. R.; Gislason, H.; Mollmann, C.; Koster, F. W., 2007. Impact of 21st century climate change on the Baltic Sea fish community and fisheries.('Impact van het klimaat in de 21e eeuw op de vissersgemeenschap en de visserij in de Oostzee') Global Change Biology, vol. 13, 7, pp. 1 348–1 367.

Sparholt, H.; Bertelsen, M.; Lassen, H., 2008. A meta-analysis of the status of ICES fish stocks during the past half century.('Meta-analyse van de toestand van ICES-visbestanden in de afgelopen halve eeuw') ICES Journal of Marine Science, Vol. 64, 4, pp. 707–713.

Gerelateerde inhoud

Opmerkingen

Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100