Conclusies per milieuprobleem

Pagina Laatst gewijzigd 19-04-2016 19:31

3. Conclusies per milieuprobleem


Klimaatverandering

Sinds 1900 zijn de Europese gemiddelde jaartemperaturen met 0,3- 0,6°C gestegen. Klimaatmodellen voorspellen een verdere stijging met zo’n 2°C boven het 1990-niveau tegen het jaar 2100, waarbij de temperatuurstijgingen in het noorden van Europa groter zullen dan in het zuiden. Tot de mogelijke gevolgen hiervan behoren een stijging van het zeeniveau, meer en hevigere stormen, overstromingen en droogten, en veranderingen in biota en voedselproductiviteit. Hoe ernstig deze gevolgen zullen zijn, is deels afhankelijk van de mate waarin men er de komende jaren en decennia in slaagt zich aan te passen aan de veranderde omstandigheden.

Voor het beperken van verdere temperatuurstijgingen tot maximaal 0,1°C per decennium en de stijging van het zeeniveau tot maximaal 2 cm per decennium (voorlopige aannames met betrekking tot duurzaamheidsnormen) zouden de geïndustrialiseerde landen de emissies van broeikasgassen (kooldioxide, methaan, stikstofoxide en verscheidene gehalogeneerde verbindingen) tegen het jaar 2010 met ten minste 30-55% ten opzichte van de niveaus van 1990 moeten hebben verminderd.

Dergelijke reducties zijn veel hoger dan de toezeggingen die de ontwikkelde landen in december 1997 in Kyoto hebben gedaan tijdens de conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, en die voor de meeste Europese landen neerkomen op een vermindering van de emissie van broeikasgassen vóór 2010 met 8% ten opzichte van 1990. Sommige LMOE zegden toe deze emissies vóór 2010 met 5-8% ten opzichte van 1990 te zullen verminderen, terwijl de Russische Federatie en Oekraïne beloofden hun emissies op de niveaus van 1990 te zullen stabiliseren.

Het is onzeker of de EU de doelstellingen zal realiseren van het oorspronkelijke klimaatverdrag uit 1992 namelijk stabilisering van de emissies van kooldioxide (het belangrijkste broeikasgas) in 2000 op de niveaus van 1990, omdat de desbetreffende emissieniveaus volgens de huidige voorspellingen in 2000 5% hoger zullen zijn dan in 1990. Bovendien toont het meest recente "business as usual" (pre-Kyoto) -scenario van de Europese Commissie, voor kooldioxide-emissies een stijging van 8% tussen 1990 en 2010, met de grootste stijging (39%) in de vervoersector, hetgeen in schril contrast staat met Kyoto-doelstelling om de emissies van broeikasgassen (een pakket van zes gassen, waaronder kooldioxide) vóór 2010 met 8% te verminderen.

Het voorstel voor een van de belangrijkste maatregelen op EU-niveau, een energie-/koolstofheffing, is nog niet aangenomen, maar in sommige West-Europese landen (Oostenrijk, Denemarken, Finland, Nederland, Noorwegen en Zweden) zijn dergelijke heffingen al ingevoerd. Daarnaast is er ruimte voor andere soorten maatregelen om de CO2-emissies te reduceren, waarvan sommige momenteel door verscheidene Europese landen en de EU worden uitgevoerd. Daartoe behoren onder meer programma’s voor een efficiënt energiegebruik, de bouw van warmtekrachtinstallaties, het overschakelen van kolen op aardgas en/of hout voor energieopwekking, maatregelen voor het veranderen van de verdeling over de verschillende vervoerswijzen, en maatregelen gericht op absorptie van CO2 (vergroting van de koolstofput) middels bebossing.

Energieverbruik, voor het overgrote deel door de verbranding van fossiele brandstoffen, levert de belangrijkste bijdrage aan de CO2- emissies. In West-Europa zijn door de economische recessie, de herstructurering van de industrie in Duitsland en de overschakeling van kolen op aardgas voor elektriciteitsproductie, de CO2- emissies afkomstig van de verbranding van fossiele brandstoffen tussen 1990 en 1995 met 3% gedaald. De energieprijzen in West-Europa zijn de laatste tien jaar stabiel gebleven en waren in vergelijking met de prijzen in het verleden betrekkelijk laag, waardoor de stimulans tot vergroting van de energie-efficiëntie gering was. De energie-intensiteit (energiegebruik per eenheid BBP) is sinds 1980 met slechts 1% per jaar gedaald.

De patronen in het energieverbruik vertoonden tussen 1980 en 1995 opmerkelijke veranderingen. In de vervoersector steeg het verbruik met 44%, in de industrie daalde het met 8% en in andere sectoren was er sprake van een stijging van 7%, hetgeen hoofdzakelijk een afspiegeling vormt van de groei van het wegvervoer en een beweging weg van de energie-intensieve zware industrie. Tussen 1985 en 1995 steeg het totale energieverbruik met 10%.

DDe bijdrage van kernenergie aan de totale energievoorziening steeg in West-Europa tussen 1980 en 1994 van 5 naar 15%; Zweden en Frankrijk zijn voor circa 40% van hun totale energiebehoefte van deze energiebron afhankelijk.

In Oost-Europa daalden de CO2-emissies afkomstig van de verbranding van fossiele brandstoffen tussen 1990 en 1995 met 19%, voornamelijk als gevolg van de economische herstructurering. Het energieverbruik door het vervoer daalde in die periode met 3% in de LMOE en met 48% in de NOS. In de industrie daalde het energieverbruik met 28% in de LMOE en met 38% in de NOS. De niveaus van energie-intensiteit zijn in de LMOE ongeveer drie keer groter en in de NOS waarschijnlijk vijf keer groter dan in West-Europa; er is dus een aanzienlijk potentieel voor energiebesparing. Volgens een basis- "business as usual"-scenario, zal het energieverbruik in 2010 in de NOS 11% en in de LMOE 4% lager zijn dan in 1990.

De bijdrage van kernenergie aan de totale energievoorziening steeg tussen 1980 en 1994 van 2 naar 6% in de NOS en van 1 naar 5 % in de LMOE. In Bulgarije, Litouwen en Slovenië voorziet kernenergie in ongeveer een kwart van de totale energiebehoefte.

De methaanemissies in de LMOE en de NOS daalden tussen 1980 en 1995 met 40%. In heel Europa bestaat echter nog aanzienlijke ruimte voor verdere reducties, die vooral moeten worden gezocht bij gasdistributiesystemen en de kolenwinning. Ook de emissie van stikstofoxide door de industrie en door het gebruik van kunstmest in minerale vorm, zouden in heel Europa verder gereduceerd kunnen worden.

Door de geleidelijke beëindiging van de productie en het gebruik van CFK’s, zijn de emissies van deze stoffen snel verminderd. Het gebruik en de emissie van de vervangingsmiddelen van CFK’s, de HCFK’s (wat eveneens broeikasgassen zijn), neemt echter toe, net als die van vrij recent geïdentificeerde broeikasgassen als SF6, gefluoreerde koolwaterstoffen en PFC’s, die deel uitmaken van het pakket van gassen waarvoor in Kyoto reductiedoelstellingen zijn overeengekomen.



CO2 emissies in Europa, 1980-1995

CO2 emissies in Europa, 1980-1995 (klik om te vergroten)


Bron: EEA-ETC/AE

Aantasting ozonlaag

Dankzij internationale beleidsmaatregelen ter bescherming van de ozonlaag, is de jaarlijkse wereldproductie van stoffen die de ozonlaag aantasten, ten opzichte van de maximumproductie met 80-90% teruggebracht. Ook de jaarlijkse emissies zijn snel verminderd. Vanwege de traagheid van atmosferische processen kunnen de effecten van internationale maatregelen op de ozonconcentratie in de stratosfeer of op de hoeveelheid UV-B-straling die het aardoppervlak bereikt, nog niet worden waargenomen.

Het ozonafbrekend vermogen van de chloor- en broomverbindingen (CFK’s, halonen, enz.) in de stratosfeer, zal naar verwachting tussen 2000 en 2010 zijn maximum bereiken. Tussen 1975 en 1995 daalde het ozongehalte in de atmosfeer boven Europa met 5%, waardoor meer UV-B-straling het onderste deel van de atmosfeer kan binnendringen en het aardoppervlak bereiken.

De laatste tijd zijn boven het Noordpoolgebied in het voorjaar lokaal grote reducties in de concentraties stratosferische ozon waargenomen. Zo daalde bijvoorbeeld de ozonconcentratie boven de Noordpool in maart 1997 40% onder het normale niveau. Deze reducties zijn vergelijkbaar met, zij het minder ernstig dan die welke boven Antarctica zijn waargenomen en benadrukken de noodzaak van voortdurende politieke aandacht voor de aantasting van de ozonlaag.

Het herstel van de ozonlaag, dat vele decennia zal duren, zou versneld kunnen worden door vlugger te stoppen met de productie en het gebruik van HCFK’s en methylbromide, door te zorgen voor een veilige vernietiging van de CFK’s en halonen die zich momenteel in opslagplaatsen bevinden, en door het voorkómen van de smokkel in stoffen die de ozonlaag afbreken.


In stratosfeer aanwezige stoffen die de ozonlaag afbreken, 1950-2100

In stratosfeer aanwezige stoffen die de ozonlaag afbreken, 1950-2100 (klik om te vergroten)

Bron: RIVM, voorlopige gegevens van het ozon-onderzoek 1998 van de WMO

Verzuring

Sinds het Dobris rapport zijn de effecten op zoet water van zure depositie als gevolg van de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak, enigszins afgenomen en vertonen de populaties van ongewervelde dieren op veel plaatsen weer een gedeeltelijk herstel. De vitaliteit van veel bossen neemt nog steeds af. Weliswaar hoeft de schade aan bossen niet per definitie verband te houden met verzuring, maar de langetermijneffecten van zure depositie op de bodem spelen wellicht toch een rol. In kwetsbare gebieden leidt verzuring tot een grotere mobiliteit van aluminium en zware metalen, met als gevolg grondwatervervuiling.

Sinds 1985 is de zure depositie afgenomen. De grensbelasting (het depositieniveau waarboven op lange termijn schadelijke effecten kunnen worden verwacht) wordt echter nog steeds op ongeveer 10% van het landoppervlak van Europa overschreden, voornamelijk in Noord- en Midden-Europa.

De uitstoot van zwaveldioxide in Europa is tussen 1980 en 1995 gehalveerd. De totale stikstofemissie (stikstofoxiden plus ammoniak), die tussen 1980 en 1990 ruwweg constant bleef, is tussen 1990 en 1995 met zo’n 15% gedaald, waarbij de grootste daling in de LMOE en de NOS werd geregistreerd.

De vervoersector is de grootste bron van NOX-emissies geworden: in 1995 kwam 60% van de totale NOX-uitstoot voor rekening van deze sector. Het vrachtvervoer over de weg steeg tussen 1980 en 1994 met 54%; het personenvervoer over de weg steeg tussen 1985 en 1995 met 46% en het personenvervoer door de lucht in diezelfde periode met 67%.

In West-Europa heeft de invoering van de katalysator geresulteerd in geringere emissies door de vervoersector. Vanwege het lage tempo waarin het wagenpark wordt vernieuwd, duurt het vrij lang voordat dergelijke maatregelen zichtbaar effect sorteren. Voor verdere reducties zijn waarschijnlijk fiscale maatregelen voor brandstoffen en voertuigen nodig.

Het particulier vervoer in de LMOE en de NOS heeft een aanzienlijk groeipotentieel, maar er bestaan in die hele sector ook grote mogelijkheden voor verbetering van de energie-efficiëntie.

De beleidsmaatregelen ter bestrijding van de verzuring zijn slechts voor een deel succesvol geweest:

  • De doelstelling als neergelegd in het NOX-protocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, om de uitstoot van stikstofoxiden vóór 1994 op het niveau van 1987 te stabiliseren, werd voor Europa als geheel gerealiseerd, maar niet door alle 21 partijen bij het protocol afzonderlijk. Sommige partijen, alsook niet-partijen, bereikten echter aanzienlijke reducties.
  • In het Vijfde Milieuactieprogramma van de Europese Commissie is de doelstelling vastgelegd om tussen 1990 en 2000 de emissie van stikstofoxiden met 30% te verminderen. Tegen 1995 was echter pas een reductie van 8% gerealiseerd, waardoor het onwaarschijnlijk lijkt dat de doelstelling voor het jaar 2000 wordt bereikt.

Een protocol dat meerdere verontreinigende stoffen bestrijkt en gericht is op de bestrijding van meerdere effecten, is naar verwachting in 1999 gereed. De doelstelling wordt het aanscherpen, op een kosten-verantwoorde basis, van de nationale emissieplafonds voor verzurende stoffen en vluchtige organische stoffen, exclusief methaan (NMVOS).

  • De doelstelling van het Eerste Zwavelprotocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, om de zwavelemissies in 1993 ten opzichte van 1980 met 30% te hebben verminderd, werd zowel door alle 21 partijen bij het protocol als door vijf niet-partijen verwezenlijkt. Verscheidene Europese landen, waaronder Portugal en Griekenland, verminderden hun zwavelemissies in deze periode echter niet in dezelfde mate. Over het bereiken van de tussendoelstelling van het Tweede Zwavelprotocol vóór 2000 bestaat echter onzekerheid en voor het realiseren van de langetermijndoelstelling, te weten, het niet overschrijden van de grensbelasting, zijn aanvullende maatregelen nodig.
  • De doelstelling van het Vijfde Milieuactieprogramma om vóór 2000 de zwaveldioxide-emissies in vergelijking met 1985 met 35% te verminderen, werd door de EU als geheel in 1995 gerealiseerd (gemiddelde reductie van 40%) alsook door de meeste lidstaten afzonderlijk.

In lijn met het Vijfde Milieuactieprogramma wordt nu in de EU gewerkt aan verdere maatregelen voor het bereiken van de langetermijndoelstelling van het Tweede Zwavelprotocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand. Daartoe behoren onder meer de vermindering van het zwavelgehalte in olieproducten, de vermindering van de emissies door grote verbrandingsinrichtingen, en de vaststelling van emissienormen voor wegvoertuigen. Een voorlopige doelstelling voor de verzuringsstrategie van de EU die momenteel wordt besproken, is een reductie van de NOX-emissies van 55% tussen 1990 en 2010. Voor het bereiken van deze doelstelling zal bijzondere aandacht aan de emissies van de vervoersector moeten worden besteed.

 

Totale oppervlakte waarop grensbelasting voor zwavel en stikstof wordt overschreden

Totale oppervlakte waarop grensbelasting voor zwavel en stikstof wordt overschreden klik om te vergroten)

Bron: EMEP/MSC/W en CCE


Troposferische ozon

De ozonconcentraties in de troposfeer (tot 10-15 km boven het aardoppervlak) boven Europa zijn doorgaans drie tot vier hoger dan in het pre-industriële tijdperk, voornamelijk als gevolg van de zeer grote toename van de NOX-emissies door de industrie en het vervoer sinds de jaren vijftig. De natuurlijke variatie in het weer maakt het opsporen van trends in het vóórkomen van episodes van hoge ozonconcentraties onmogelijk.

De drempelconcentraties die zijn vastgesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens, van de plantengroei en van ecosystemen, worden in de meeste Europese landen veelvuldig overschreden. Ongeveer 700 ziekenhuisopnamen die in de periode maart-oktober 1995 in de EU plaatsvonden, (waarvan 75% in Frankrijk, Italië en Duitsland) zijn mogelijk toe te schrijven aan ozonconcentraties boven de voor de gezondheid van de mens vastgestelde drempelwaarde. De mogelijkheid bestaat dat ongeveer 330 miljoen mensen in de EU ten minste één keer per jaar aan concentraties boven de drempelwaarde worden blootgesteld.

De drempel die voor de bescherming van de plantengroei is vastgesteld, werd in 1995 in de meeste EU-landen overschreden. Verscheidene landen rapporteerden dat op sommige plaatsen de drempelwaarde op meer dan 150 dagen was overschreden. Datzelfde jaar werd op bijna het totale oppervlak aan bos- en landbouwgrond in de EU, overschrijdingen geregistreerd.

De emissies van de belangrijkste stoffen die ozon kunnen veroorzaken, te weten stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen, exclusief methaan(NMVOS), namen tot eind jaren tachtig toe om vervolgens tussen 1990 en 1994 met 14% te dalen. Het grootste deel van de NOX-emissies komt voor rekening van de vervoersector. Deze sector levert tevens de grootste bijdrage aan de uitstoot van NMVOS in West-Europa. In de LMOE en de NOS is het grootste deel van de NMVOS-emissies van de industrie afkomstig.

Het realiseren van de emissiedoelstellingen voor stikstofoxiden die zijn vastgelegd in het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en het Vijfde Milieuactieprogramma, zou resulteren in een reductie van de piekconcentraties van ozon met niet meer dan 5-10%. Voor het bereiken van de langetermijndoelstelling gericht op het niet overschrijden van de drempelniveaus, is het van cruciaal belang dat de algehele concentraties van troposferische ozon worden verminderd. Daarvoor zijn reductiemaatregelen nodig voor de stoffen die ozon kunnen veroorzaken (NOX en NMVOS) die het hele noordelijk halfrond bestrijken. Een eerste stap is het vaststellen van stringentere nationale emissieplafonds in het kader van het nieuwe protocol.


Dagelijkse piekconcentraties van ozon in de zomer

Dagelijkse piekconcentraties van ozon in de zomer (klik voor vergroting)

Bron: EMA-ETC/AQ

Chemische stoffen

De chemische industrie in West-Europa is sinds het Dobris rapport verder gegroeid, waarbij de productie sinds 1993 sneller toeneemt dan het BBP. In de LMOE en de NOS is de productie sinds 1989 duidelijk gedaald, hetgeen in de lijn ligt van de daling van het BBP. Sinds 1993 heeft de productie zich in sommige landen echter weer deels hersteld. Het nettoresultaat is dat in heel Europa de stroom van chemische stoffen door de economie is toegenomen.

Gegevens over emissies zijn schaars. Wel is duidelijk dat chemische stoffen in alle milieucompartimenten wijdverspreid voorkomen, inclusief in dierlijk en menselijk weefsel. De Europese inventaris van bestaande chemische stoffen bevat meer dan 100.000 chemische verbindingen. Vanwege het gebrek aan kennis over de concentraties waarin deze stoffen in het milieu voorkomen en over de beweging van deze stoffen door het milieu en de wijze waarop zij daar accumuleren om vervolgens op de mens en op andere levensvormen in te werken, bestaat er over de gevaren van veel van deze stoffen nog steeds onzekerheid.

Desalniettemin is er enige informatie beschikbaar, bijvoorbeeld over zware metalen en persistente organische verontreinigingen. Ofschoon de emissies van enkele van deze stoffen een dalende lijn vertonen, vormen de concentraties ervan in het milieu nog steeds reden tot bezorgdheid, vooral in enkele zwaar verontreinigde gebieden en "sinks" -gebieden waarin de stoffen uiteindelijk neerslaan- zoals de Noordelijke IJszee en de Oostzee. Hoewel de productie van een aantal bekende persistente organische verontreinigingen geleidelijk wordt beëindigd, worden veel andere nog steeds in grote hoeveelheden geproduceerd.

De laatste tijd is er bezorgdheid geuit over zogeheten "endocrine disrupting substances", ofwel stoffen die de werking van endocriene klieren verstoren, waartoe de organische verontreinigende stoffen en enkele organometaalverbindingen behoren. De bezorgdheid betreft vooral het feit dat deze stoffen mogelijk voortplantingsstoornissen bij in het wild levende dieren en de mens veroorzaken. Dergelijk effecten zijn bij zeedieren waargenomen, maar er is tot nog toe onvoldoende bewijs om een oorzakelijk verband te leggen tussen deze stoffen en reproductieve stoornissen bij de mens.

Vanwege de moeilijkheden en kosten die zijn verbonden aan het beoordelen van de toxiciteit van het grote aantal in potentie gevaarlijke chemische stoffen, vooral die met mogelijke voortplantings of neuro-toxicologische effecten, zijn enkele van de huidige bestrijdingsstrategieën - zoals die gekozen tijdens de OSPAR-Conventie betreffende de bescherming van de Noordzee - gericht op vermindering van de milieubelasting door chemische stoffen door het elimineren of reduceren van het gebruik en de emissie ervan. De Economische Commissie voor Europa zal naar verwachting in 1998 twee nieuwe protocollen afronden over emissies naar de lucht van drie zware metalen en zestien persistente organische verontreinigende stoffen. Deze protocollen vallen onder de werkingssfeer van het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreining over lange afstand.

Sinds het Dobris rapport zijn enkele nieuwe nationale en internationale initiatieven genomen tot vermindering van de mogelijke milieueffecten van chemische stoffen. Daartoe behoren onder meer de uitvoering van programma’s voor vrijwillige reductie, heffingen op productie en gebruik van bepaalde chemische stoffen, en het toegankelijk maken voor het publiek van soortgelijke gegevens als die van de ‘US Toxic Release Inventory’. In de EU geberurt dit in het kader van de Richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging. Overal in Europa bestaan mogelijkheden voor een ruimere toepassing van dergelijke instrumenten.



Reducties van loodemissies afkomstig uit benzine 1990-1996

Reducties van loodemissies afkomstig uit benzine 1990-1996 (klik voor vergroting)

Bron: Deense EPA 1998


Afval

De gemelde totale afvalproductie in de Europese landen die deel uitmaken van de OESO, is tussen 1990 en 1995 met bijna 10% toegenomen. Een deel van deze toename kan echter het gevolg zijn van een betere controle en rapportering. De slechte vergelijkbaarheid en de onvolledigheid van de gegevens maken het volgen van bepaalde ontwikkelingen en het vergroten van de doelgerichtheid van afvalbeleidsinitiatieven in Europa echter nog steeds moeilijk.

De productie van stedelijk afval in de Europese landen die zijn aangesloten bij de OESO, is tussen 1990 en 1995 naar schatting met 11% gestegen. In 1995 werd 200 miljoen ton stedelijk afval geproduceerd, wat neerkomt op 420 kg/persoon/jaar. Voor de LMOE en de NOS zijn de cijfers over stedelijk afval te beperkt voor het vaststellen van een onderliggende trend.

Duitsland en Frankrijk leverden de grootste bijdrage aan de naar schatting 42 miljoen ton gevaarlijk afval per jaar die voor de periode rond 1994 door de OESO-landen in Europa werd gerapporteerd. De Russische Federatie was verantwoordelijk voor twee derde van de 30 miljoen ton gevaarlijk afval die begin jaren negentig jaarlijks door alle Oost-Europese landen samen werd geproduceerd. Vanwege verschillen in definitie zijn deze cijfers slechts richtinggevend.

Afvalbeheer is in de meeste landen nog steeds grotendeels een kwestie van storten, hetgeen van de beschikbare alternatieven de goedkoopste is. De stortkosten die worden berekend, komen echter zelden overeen met de werkelijke kosten (tot de stortkosten worden bijvoorbeeld zelden de kosten gerekend die ontstaan na sluiting van een stortplaats), alhoewel in sommige landen (bijv. België, Denemarken, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk) afvalheffingen worden toegepast. In toenemende mate wordt echter onderkend dat het beperken en voorkómen van afval meer wenselijke vormen van afvalbeheer zijn. Alle afvalstromen, in het bijzonder het gevaarlijk afval, zouden gebaat zijn met een ruimere toepassing van schonere technologieën en verdere preventiemaatregelen. In landen met een goede infrastructuur voor afvalbeheer wordt steeds meer gebruik gemaakt van hergebruik en herwerking (recycling).

Tal van LMOE en NOS zien zich gesteld voor problemen die voortvloeien uit een gebrekkig afvalbeheer in het verleden en een toename van de afvalproductie. Het afvalbeheer in deze landen vraagt om een betere strategische planning en meer investeringen. Tot de prioriteiten behoren het verbeteren van het stedelijk afvalbeheer door betere afvalscheiding en beter beheer van stortactiviteiten; het introduceren van recycling-initiatieven op lokaal niveau; en het uitvoeren van goedkope maatregelen ter voorkoming van bodemverontreiniging.

Overtuigd van de noodzaak van een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en van het tot een minimum beperken van milieuschade, en uitgaande van het beginsel dat de vervuiler betaalt en van het "nabijheidsprincipe", heeft de EU een uitgebreid instrumentarium van wetgeving gecreëerd voor de bevordering en harmonisatie van nationale wetgeving inzake afvalstoffen. Sommige Midden-Europese landen beginnen geleidelijk met een soortgelijke aanpak, daartoe aangezet door het proces van toetreding tot de EU. In de meeste andere LMOE en NOS staat wetgeving op het terrein van afvalstoffen echter nog in de kinderschoenen.

Aandeel van landen met de volgende beleidsinstrumenten op afvalgebied

Aandeel van landen met de volgende beleidsinstrumenten op afvalgebied

Bron: EMA


Biodiversiteit

De Europese flora en fauna wordt nog steeds ernstig bedreigd en het aantal soorten dat in omvang afneemt, neemt toe. In veel landen wordt meer dan de helft van de bekende gewervelde dieren bedreigd.

Meer dan een derde van de vogelsoorten in Europa heeft te kampen met een dalende populatie, waarbij de situatie het ernstigst is in Noordwest- en Midden-Europa. De belangrijkste oorzaak is de aantasting van habitats door veranderingen in grondgebruik, meer in het bijzonder door intensivering van land- en bosbouw, toenemende infrastructuurontwikkeling, grondwateronttrekking en vervuiling.

De populaties van een aantal diersoorten die met menselijke activiteiten worden geassocieerd, nemen echter toe en sommige plantensoorten die bestand zijn tegen hoge nutriëntenniveaus of verzuring, breiden zich uit. Ook het aantal broedvogels in gebieden met biologische landbouw vertoont enig herstel. De introductie van uitheemse soorten veroorzaakt problemen in habitats in zee, in binnenwateren en op het land.

Het verdwijnen van wetlands is vooral in Zuid-Europa een probleem, maar doet zich ook in grote mate voor in veel landbouw- en verstedelijkte gebieden in Noordwest- en Midden-Europa. De belangrijkste oorzaken zijn landaanwinning, vervuiling, drainage, recreatie en verstedelijking. Met enkele grote en tal van kleinere herstelprojecten in rivieren, meren en moerassen, wordt dit verlies in zekere mate gecompenseerd, zij het meestal op kleine schaal.

Het oppervlak aan zandduinen is deze eeuw met 40% afgenomen, voornamelijk langs de westkust van Europa. Een derde van dit verlies heeft sinds midden jaren zeventig plaatsgevonden. De belangrijkste oorzaken zijn verstedelijking, recreatie en de aanleg van bossen.

Het totale bosareaal neemt evenals de totale houtproductie toe. Het vervangen van "extensief" bosbeheer, vroeger de meest gangbare methode, door meer intensief en uniform beheer, gaat onverminderd door. Het gebruik van uitheemse soorten neemt nog steeds toe. Het ernstige verlies van oer- en natuurbos is doorgegaan. Het grootste deel van de bossen dat zich nog in een natuurlijke en vrijwel ongeschonden staat bevindt, ligt nu in de LMOE en de NOS, alhoewel ook elders nog kleinere gebieden met oerbos zijn te vinden. Ofschoon het bosareaal dat ten prooi viel aan brand, is afgenomen, vormen bosbranden rond de Middellandse Zee nog steeds een probleem. Het concept ‘duurzame bosbouw’ vindt geleidelijk ingang in de exploitatie en het beheer van bossen, maar algemene effecten hiervan op de biodiversiteit zijn nog niet waargenomen.

Aangezien de landbouw intensiever is geworden en het bebossen van onrendabele bodems is doorgegaan, is het areaal en de kwaliteit van halfnatuurlijke landbouwhabitats zoals graslanden snel achteruitgegaan. Deze habitats waren vroeger wijdverbreid in Europa en afhankelijk van een extensief beheer met een geringe toevoer van nutriënten. Tegenwoordig worden zij bedreigd door een overmatige toevoer van nutriënten en verzuring. Met het verdwijnen van hun vaak zeer rijke planten- en dierenleven is de natuurlijke biodiversiteit van het open landschap ernstig verminderd.

In alle landen is een groot scala van nationale en internationale initiatieven en wetsinstrumenten voor de bescherming van soorten en habitats ingevoerd. Al deze initiatieven, wetten en verdragen hebben met succes bescherming geboden aan aanzienlijk hoeveelheden land en zee en de verdwijning van een aantal soorten en habitats verhinderd. Maar de uitvoering ervan is vaak moeilijk en traag geweest en zij hebben de algemene achteruitgang niet kunnen stoppen. De belangrijkste initiatieven op dit moment zijn de invoering van het Natura-2000 netwerk van aangewezen locaties in de EU en het aanstaande EMERALD-netwerk in het kader van de Berner Conventie in de rest van Europa.

De instandhouding van de biodiversiteit wordt vaak minder belangrijk geacht dan de economische of sociale korte termijn belangen van de sectoren die de grootste druk op de biodiversiteit uitoefenen. Een belangrijke hinderpaal voor het realiseren van doelstellingen voor het behoud van de biodiversiteit is nog steeds de noodzaak om overwegingen met betrekking tot biodiversiteit in andere beleidsdomeinen te integreren. Strategische milieu-effect rapporten ten behoeve van beleidsplannen en programma’s kunnen samen met instrumenten voor natuurbehoud belangrijke hulpmiddelen zijn voor de bevordering van een dergelijke integratie.

Vogelstand

Vogelstand (klik voor vergroting)

Bron: EMA-ETC/NC


Binnenwateren

Sinds 1980 is in veel landen de totale hoeveelheid water die aan de bodem wordt onttrokken, afgenomen. In de meeste landen is er na 1980 sprake geweest van een langzame afname van de grondwateronttrekking door de industrie. Dit is terug te voeren op het feit dat er een verschuiving plaatsvindt naar industrieën die minder grote hoeveelheden water gebruiken, alsook op de groei van de dienstensector, technische verbeteringen en toegenomen hergebruik. Rond stedelijke gebieden bestaat echter nog steeds de mogelijkheid dat de vraag naar water de beschikbaarheid ervan overtreft en in de nabije toekomst kunnen watertekorten optreden. De toekomstige watervoorziening kan ook door klimaatveranderingen in gevaar worden gebracht.

In de Middellandse-Zeelanden komt het grootste deel van het waterverbruik voor rekening van de landbouw, met irrigatie als voornaamste gebruiksdoel. Het oppervlak dat wordt bevloeid en de hoeveelheid water onttrokkken aan de bodem, is sinds 1980 gestaag toegenomen. In de Zuid-Europese landen wordt 60% van alle gewonnen water voor irrigatie gebruikt. In sommige regio’s overschrijdt de hoeveelheid water die aan de bodem wordt onttrokken, de aanvullingssnelheid, met als gevolg een verlaging van de grondwaterspiegel, het verdwijnen van wetlands en indringing van zeewater. Tot de instrumenten voor de vermindering van de toekomstige vraag naar water behoren maatregelen voor een efficiënter watergebruik, prijscontroles en het landbouwbeleid.

Ondanks de streefwaarden voor de waterkwaliteit die in de EU zijn vastgesteld en de aandacht die in het Milieuactieprogramma voor Midden- en Oost-Europa aan dit onderwerp wordt besteed, heeft er sinds 1989/90 geen algehele verbetering van de rivierkwaliteit plaatsgevonden. De Europese landen melden verschillende trends zonder enig consistent geografisch patroon. Desalniettemin is de toestand van de meest verontreinigde rivieren sinds de jaren zeventig enigszins verbeterd.

Fosfor en stikstof veroorzaken nog steeds eutrofiëring van oppervlaktewateren. Verbeteringen in de afvalwaterbehandeling en reducties in de emissies van grote industrieën die tussen 1980 en 1995 zijn gerealiseerd, hebben ertoe geleid dat de totale hoeveelheid fosfor die in rivieren wordt geloosd, in diverse landen tussen 40% en 60% is afgenomen. De fosforconcentraties in oppervlaktewateren daalden daardoor aanzienlijk, vooral in die wateren met de voorheen hoogste concentraties. In de toekomst worden nog verdere verbeteringen verwacht, omdat het herstel van vooral verscheidene jaren kan duren. Ongeveer een kwart van de stations voor het bewaken van de rivierkwaliteit registreert echter nog steeds fosforconcentraties die ongeveer tien keer hoger zijn dan in water van goede kwaliteit. Stikstof, voornamelijk afkomstig van de landbouw, is een minder groot probleem in rivieren, maar kan problemen veroorzaken wanneer het naar zee wordt afgevoerd. Ter bescherming van het zeemilieu dienen de emissies van stikstof dan ook verder te worden beperkt.

De grondwaterkwaliteit heeft te lijden onder toenemende concentraties nitraat en bestrijdingsmiddelen afkomstig van de landbouw. De nitraatconcentraties zijn laag in Noord-Europa, maar hoog in diverse West- en Oost-Europese landen, met veelvuldige overschrijdingen van de maximaal toegestane concentraties die in de EU zijn vastgesteld.

Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de EU daalde tussen 1985 en 1995, wat echter niet noodzakelijkerwijs hoeft te betekenen dat de effecten op het milieu zijn afgenomen, aangezien nu andere middelen worden gebruikt. Voor bepaalde bestrijdingsmiddelen overschrijden de concentraties in het grondwater veelvuldig de maximaal toegestane concentraties die in de EU zijn vastgesteld. Ook maken veel landen melding van een aanzienlijke verontreiniging door zware metalen, koolwaterstoffen en gechloreerde koolwaterstoffen.

Voor veel gebieden in Europa, zoals die rond de Noordzee, Oostzee, Rijn, Elbe en Donau, is er een geïntegreerd beleidsplan voor de bescherming van de binnenwateren. Ofschoon op dit terrein veel is bereikt, is in de toekomst een betere integratie van milieu- en economisch beleid gewenst.

De aanpak van emissies uit diffuse bronnen zal primair moeten gebeuren via het landbouwbeleid, maar dit brengt zowel in technisch als politiek opzicht nog steeds de nodige moeilijkheden met zich mee. Ofschoon hervormingen in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie worden gebruikt voor de integratie van maatregelen om de toevoer van nutriënten te verminderen, moet er meer gebeuren. Zo moet bijvoorbeeld beleid gericht op het braak leggen van landbouwgronden, maximale voordelen voor het milieu opleveren.

De EU-richtlijnen voor de behandeling van stedelijk afvalwater en nitraat, moeten leiden tot aanzienlijke kwaliteitsverbeteringen, maar het succes van deze twee richtlijnen hangt af van de mate waarin de lidstaten kwetsbare zones aanwijzen. Het voorstel voor een kaderrichtlijn inzake water vereist geïntegreerde programma’s voor beheer en verbetering. Als deze richtlijn in de hele EU op vergelijkbare wijze wordt uitgevoerd en er een verdere omschakeling plaatsvindt naar vraagbeheersing, zou deze tot duidelijke verbeteringen in de waterkwaliteit en tot een duurzaam beheer van de watervoorraden moeten leiden.


Beschikbaarheid van zoet water in Europa

Beschikbaarheid van zoet water in Europa (klik voor vergroting)

Bron: Eurostat, OECD, Institute of Hydrology


Zee- en kustmilieu

De meest bedreigde gebieden zijn de Noordzee (overbevissing, hoge concentraties nutriënten en verontreinigende stoffen), de Iberische zeeën (d.w.z. het gedeelte van de Atlantische Oceaan langs het oostelijk Atlantisch plat, inclusief de Golf van Biskaje: overbevissing, zware metalen), de Middellandse Zee (plaatselijk hoge concentraties nutriënten, grote druk op het kustmilieu, overbevissing), de Zwarte Zee (overbevissing, snelle stijging van nutriëntenconcentraties) en de Oostzee (hoge nutriëntenconcentraties, verontreinigende stoffen, overbevissing).

Eutrofiëring, hoofdzakelijk veroorzaakt door overbemesting in de landbouw, is in sommige delen van veel Europese zeeën een groot probleem. De nutriëntenconcentraties zijn doorgaans even hoog als begin jaren negentig. Een toename van stikstoflozingen en de corresponderende verhoging van de stikstofconcentraties in het zeewater langs sommige kusten van West-Europa, lijkt in verband te staan met de hoge neerslagniveaus die tussen 1994 and 1996 werden geregistreerd en de overstromingen die in die periode plaatsvonden. In de meeste andere zeeën kon met betrekking tot nutriëntenconcentraties geen duidelijke trend worden vastgesteld. In de Zwarte Zee, echter, was er tussen 1960 en 1992 sprake van een vertienvoudiging van de concentratie van nutriënten, voornamelijk afkomstig van het stroomgebied van de Donau.

De verontreiniging van sedimenten en biota door antropogene chemische stoffen lijkt in bijna alle Europese zeeën een algemeen voorkomend verschijnsel. De weinige gegevens die hierover beschikbaar waren, hadden voornamelijk betrekking op West- en Noordwest-Europa. In vissen en sedimenten werden verhoogde concentraties (boven de van nature aanwezige hoeveelheid) zware metalen en PCB’s aangetroffen, met hoge concentraties in de omgeving van puntbronnen. De bio-accumulatie van deze stoffen kan een gevaar voor ecosystemen en de gezondheid van de mens vormen (zoals uiteengezet in het hoofdstuk over chemische stoffen).

Het totaalbeeld van olieverontreiniging is zeer versnipperd en er kan geen betrouwbare beoordeling van algemene trends worden gegeven. Het grootste deel van de verontreiniging vindt zijn oorsprong op het land, vanwaar het via rivieren in zee terechtkomt. Ofschoon het aantal ongelukken met olieverontreiniging afneemt, veroorzaken kleine en nu en dan voorkomende olie-ongelukken in intensief bevaren zones, lokaal aanzienlijke schade, hoofdzakelijk in de vorm van met oliesmurrie bedekte stranden en zeevogels en belemmering van de (schelpdier)visserij. Er is echter geen bewijs van onherroepelijke schade aan mariene ecosystemen, noch als gevolg van grote lekkages noch door chronische oliebronnen.

Nog steeds worden veel zeeën zwaar overbevist. Dit veroorzaakt met name ernstige problemen in de Noordzee, de Iberische zeeën, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. De vissersvloot heeft een aanzienlijke overcapaciteit. Uitgaande van het visbestand zou een capaciteitsvermindering van 40% noodzakelijk zijn.

Stikstof- en fosforlozingen


Stikstof- en fosforlozingen (klik voor vergroting)


Bron: EMA - ETC/MC


Achteruitgang bodemkwaliteit

In West-Europa zijn meer dan 300.000 locaties geïdentificeerd die mogelijk verontreinigd zijn, maar het geschatte aantal in heel Europa is vele malen groter.

Ofschoon in het Milieuprogramma voor Europa wordt opgeroepen tot het identificeren van de verontreinigde locaties, is er voor veel landen nog geen volledig overzicht. De omvang van het probleem valt moeilijk te beoordelen, omdat het ontbreekt aan algemeen aanvaarde definities. De Europese Commissie bereidt momenteel een witboek over milieuaansprakelijkheid voor; voor volgende stappen is het wellicht nodig overeenstemming te bereiken over definities van bodemverontreiniging. In de meeste West-Europese landen bestaan wettelijke kaders die toekomstige incidenten moeten voorkómen en ervoor moeten zorgen dat de bestaande verontreinigingssituaties worden gesaneerd.

In Oost-Europa vormt bodemverontreiniging rond verlaten militaire terreinen het grootste gevaar. Het merendeel van de landen in de regio is begonnen met een evaluatie van het probleem. Tal van LMOE en de NOS moeten echter nog het regelgevend en financieel kader ontwikkelen dat nodig is voor de aanpak ervan.

Een ander ernstig probleem is grondverlies door het afdichten van de bodem onder constructies zoals industriële gebouwen en vervoersinfrastructuur, waarmee voor toekomstige generaties de mogelijke gebruiksfuncties van de grond worden verminderd.

Bodemerosie neemt toe. Circa 115 miljoen hectare grond heeft te lijden onder watererosie en 42 miljoen onder winderosie. Het probleem is het grootst in het Middellandse-Zeegebied, vanwege de broze milieusituatie daar. Maar ook in de rest van Europa hebben de meeste landen met dit probleem te maken. Bodemerosie wordt versterkt door het uit gebruik nemen van grond en door bosbranden, met name in marginale gebieden. Strategieën om versnelde bodemerosie tegen te gaan, zoals bebossing, ontbreken in de meeste gebieden.

Bijna vier miljoen hectare grond heeft te lijden onder verzilting, met name in landen rond de Middellandse Zee en in Oost-Europa. De hoofdoorzaken zijn overexploitatie van watervoorraden als gevolg van irrigatie door de landbouw, bevolkingstoename, industriële en stedelijke ontwikkeling en de groei van het toerisme in kustgebieden. De belangrijkste effecten op cultuurgronden zijn een lagere gewasopbrengst of zelfs het volledig mislukken van de oogst. Een strategie voor het bestrijden van verzilting ontbreekt in veel landen.

Door bodemerosie en verzilting is in de meest kwetsbare gebieden, met name het Middellandse-Zeegebied, het gevaar van woestijnvorming vergroot. Informatie over de omvang en ernst van woestijnvorming is beperkt. Verdere ontwikkeling van preventiemaatregelen, mogelijk in het kader van het VN-verdrag ter bestrijding van woestijnvorming, is nodig.


Beschikbare kwantitatieve gegevens over (mogelijk) verontreinigde locaties


Industriële locaties Stortplaatsen Militaire locaties Mogelijk verontreinigde locaties Verontreinigde locaties
gesloten in bedrijf gesloten in bedrijf geïdentificeerd

geschat tot.

geïdentificeerd

geschat tot.

Albanië
  •  
  •  
  •  
  •  
78
Oostenrijk
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
28 000 ~80 000 135 ~1 500
BelgVlaan.
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
4 583 ~9 000
Belg/Wall.
  •  
  •  
  •  
  •  
1 000 5 500 60
Denemarken
  •  
  •  
  •  
  •  
37 000 ~40 000 3 673 ~14 000
Estland
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
~755
Finland
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
10 396 25 000 1 200
Frankrijk
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
300 000 895
Duitsland
  •  
  •  
  •  
  •  
191 000 ~240 000
Hongarije
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
600 10 000
Italië
  •  
  •  
  •  
  •  
8 873 1 251
Litauen
  •  
  •  
  •  
  •  
~1 700
Luxemburg
  •  
  •  
616 175
Nederland
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
110 000
-120 000
Noorwegen
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
2,300
Spanje
  •  
  •  
  •  
  •  
4 902 370
Zweden
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
7 000 2 000
Zwitserland
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
35 000 50 000 ~3 500
VK ~ 100 000 ~ 10 000

Bron: EMA-ETC/S


Stedelijk leefmilieu

De verstedelijking neemt toe, ondanks het feit dat nu al ongeveer drie kwart van de bevolking van West-Europa en de NOS, en iets minder dan twee derde van die van de LMOE, in steden leeft.

De snelle toename van het particulier vervoer en het intensieve verbruik van hulpbronnen bedreigt het stedelijk leefmilieu en dientengevolge de gezondheid en het welzijn van de mens. In veel steden vindt nu meer dan 80% van het gemechaniseerde vervoer met de auto plaats. Voorspellingen voor de vervoersgroei in West-Europa duiden op de mogelijkheid dat, uitgaande van een "business as usual"-scenario, de vraag naar personen- en vrachtvervoer via de weg tussen 1990 en 2010 nagenoeg verdubbelt, waarbij het aantal auto’s met 25-30% toeneemt en het aantal kilometers dat jaarlijks met de auto wordt afgelegd, met 25%. Verwacht wordt dat de huidige groei in stedelijke mobiliteit en autobezit in de steden in de LMOE het komende decennium versneld zal toenemen, met de daarbij behorende stijging van energieverbruik en emissies.

Over het algemeen is de luchtkwaliteit in de meeste Europese steden verbeterd. Door de vermindering van het loodgehalte in benzine zijn de jaarlijkse loodconcentraties in de jaren negentig scherp gedaald, en ook de concentraties van andere verontreinigende stoffen lijken af te nemen. Enkele steden in de LMOE maakten echter melding van kleine stijgingen in de loodconcentraties gedurende de afgelopen vijf jaar, door een toename van het verkeer. De voorziene geleidelijke eliminatie van het gebruik van loodhoudende benzine zou dit probleem oplossen.

Sommige steden hebben echter gedurende de hele zomer nog steeds te kampen met hoge ozonconcentraties. De meeste steden die gegevens verstrekten, maakten melding van overschrijdingen van de WGO-richtwaarden voor zwaveldioxide, koolmonoxide, stikstofoxiden en vaste deeltjes. Er zijn weinig gegevens beschikbaar over benzeen, maar overschrijding van de WGO-richtwaarden voor luchtkwaliteit lijkt een algemeen verschijnsel.

Extrapolatie van de gerapporteerde gegevens naar alle 115 grote Europese steden duidt erop dat ongeveer 25 miljoen mensen worden blootgesteld aan wintersmog (overschrijding van de richtwaarden voor zwaveldioxide en vaste deeltjes). Het aantal mensen dat uitgaande van eenzelfde extrapolatie wordt blootgesteld aan zomersmog (ozon-gerelateerd) is 37 miljoen, waarbij bijna 40 miljoen mensen ten minste één keer per jaar aan een overschrijding van de WGO-richtwaarden worden blootgesteld.

In West-Europa zijn momenteel de grootste bronnen van luchtverontreiniging motorvoertuigen en de verbranding van gasvormige brandstoffen; voorheen waren dit industriële processen en de verbranding van kolen en hoogzwavelige brandstoffen. Aangezien een toename van het vervoer wordt voorzien, zullen naar verwachting ook de emissies door dat vervoer en daarmee de luchtverontreiniging in de steden toenemen. In de LMOE en de NOS vinden soortgelijke verschuivingen plaats, zij het in een langzamer tempo.

Ongeveer 450 miljoen mensen in Europa (65% van de bevolking) worden blootgesteld aan hoge geluidsniveaus (meer dan het Equivalent continu-niveau van de geluiddruk (Leq) 24u 55dB(A)). Ongeveer 9,7 miljoen mensen worden blootgesteld aan onaanvaardbare geluidsniveaus (meer dan Leq 24u 75dB(A)).

Het waterverbruik is in een aantal Europese steden toegenomen: ongeveer 60% van de grote Europese steden maakt zich schuldig aan overexploitatie van de grondwatervoorraden. De beschikbaarheid en kwaliteit van water kan in landen die kampen met watertekorten, met name in Zuid-Europa, in toenemende mate een belemmering vormen voor stadsontwikkeling. Verscheidene steden in Noord-Europa hebben hun waterverbruik echter verminderd. Over het algemeen zou het beschikbare water doelmatiger gebruikt kunnen worden, omdat huishoudens slechts een klein percentage van het water dat zij verbruiken, als drink- en kookwater gebruiken en omdat grote hoeveelheden (5 tot meer dan 25%) door lekken verloren gaan.

Stadsproblemen zijn niet beperkt tot de steden zelf. Er is steeds meer land nodig om de bevolking van grote steden van de noodzakelijke hulpbronnen te voorzien en de stedelijke emissies en afvalstoffen te kunnen verwerken.

Ondanks de vooruitgang die is geboekt met het opzetten van milieubeheersystemen in Europese steden, wachten tal van problemen nog op een oplossing. De afgelopen vijf jaar heeft een toenemend aantal gemeentelijke overheden gepoogd om via strategieën zoals verwoord in lokale Agenda 21, tot duurzame ontwikkeling te komen. Voorbeelden daarvan zijn maatregelen ter beperking van het water-, energie- en grondstoffenverbruik, een verbetering van het ruimtelijke ordenings- en vervoersbeleid, en een beter gebruik van economische instrumenten. Al meer dan 290 steden hebben zich aangesloten bij de Europese Campagne voor duurzame steden en gemeenten.

De gegevens over veel aspecten van het stedelijk leefmilieu – bijvoorbeeld waterverbruik, afvalproductie, afvalwaterbehandeling, geluidshinder en luchtverontreiniging – zijn nog steeds onvolledig en ontoereikend voor een uitgebreide evaluatie van de veranderingen in het stedelijk leefmilieu in Europa.

Gemiddelde jaarlijkse NO2-concentraties,1990-95

Gemiddelde jaarlijkse NO2-concentraties,1990-95 (klik voor vergroting)

Bron: EMA-ETC/AQ


Technologische ongevallen en natuurrampen

Het aantal grote bedrijfsongevallen dat jaarlijks in de EU wordt gemeld, is sinds 1984 ongeveer gelijk gebleven. Gelet op het feit dat sindsdien zowel de melding van ongevallen is verbeterd als de industriële activiteit is toegenomen, valt aan te nemen dat het aantal ongevallen per eenheid activiteit is afgenomen. Er is momenteel geen databank die ook informatie over bedrijfsongevallen in de LMOE en de NOS bevat.

Uitgaande van de Internationale schaal voor nucleaire voorvallen (INES) van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, hebben zich sinds 1986 (Tsjernobyl - INES-niveau 7) in Europa geen "ongevallen" (INES-niveaus 4-7) meer voorgedaan. Bij de meeste voorvallen die zijn gemeld, ging het om "anomalieën" (INES-niveau 1), en in enkele gevallen was er sprake van een "incident" (INES-niveaus 2-3).

Het jaarlijkse aantal grote ongelukken met olieverontreiniging op zee is de afgelopen tien jaar wereldwijd aanzienlijk verminderd. Drie van de grootste olierampen die zich ooit in de wereld hebben voorgedaan, vonden de laatste paar jaar echter in West-Europa plaats. Deze calamiteiten waren verantwoordelijk voor een groot deel van de totale olievervuiling.

Met betrekking tot veel activiteiten die aanleiding kunnen geven tot grote ongevallen, is er sprake van een almaar groeiende intensiteit. Ook neemt in sommige gevallen de kwetsbaarheid van deze activiteiten en van infrastructuren voor natuurrampen toe. De Seveso II-richtlijn verschaft door zijn grote reikwijdte en uitgebreidheid en door zijn gerichtheid op ongevalpreventie, een groot deel van het noodzakelijke kader voor een beter risicobeheer. De industrie en de regelgevende en planningautoriteiten moeten nu overgaan tot de toepassing ervan. De richtlijn verschaft tevens een model voor Oost-Europa, waar zo’n breed transnationaal kader niet bestaat. Maar er is ook een algemene behoefte voor de aanpak van andere dan industriële rampen.

In de jaren negentig vond een uitzonderlijk groot aantal overstromingen plaats die veel schade veroorzaakten en tal van slachtoffers eisten. Hoewel de meest waarschijnlijke oorzaak voor deze overstromingen natuurlijke variaties in de waterhuishouding zijn, zijn de effecten ervan mogelijk versterkt door de beïnvloeding door de mens van de hydrologische kringloop.


Olierampen in Europa, 1970-1996


Olierampen in Europa, 1970-1996 (klik voor vergroting)

Bron: ITOPF
lijn.gif (900 bytes)

Top
Terug naar algemene conclusies
</head0
Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100