Milieubelastingen

Pagina Laatst gewijzigd 19-04-2016 19:31

MILIEUBELASTINGEN

In dit deel wordt onderzocht waardoor en hoe het Europese milieu verandert. Daarbij wordt de klemtoon gelegd op de belastingen die uit menselijke activiteiten resulteren.

12. Bevolking, produktie en consumptie

Bevolkingsdichtheid, 1989

Hier wordt het complexe en nog verre van doorgronde verband tussen mens, natuurlijke hulpbronnen en ontwikkeling onderzocht in een poging om meer inzicht te krijgen in de betrokken problemen. Concluderend wordt het belang beklemtoond van de milieu-effecten van langlopende economische en ontwikkelingsprogramma's.

12,8% van de wereldbevolking bestaat uit Europeanen. Dit percentage neemt af ingevolge een daling van de vruchtbaarheidscijfers in de meeste Europese landen.

De gecorrigeerde levensstandaard ligt in Oost-Europa ruim een factor 4 lager dan in West-Europa.

De meeste Midden- en Oosteuropese landen zijn aangewezen op voedselimport; de Westeuropese landen voeren veel veevoer in.


    Kolen Aardolie Gas Kernenergie Waterkracht Overige
Wereld 1970 31.7 46.8 18.8 0.9 1.7 ­
1990 28.5 40.5 22.2 6.3 2.5 ­
West-Europa 1970 27.6 60.3 6.3 1.2 3.0 1.6
1990 19.3 44.0 16.6 14.4 3.0 2.7
Oost-Europa 1970 60.1 23.3 13.1 ­ 1.0 2.4
1990 48.4 24.2 20.1 4.5 1.1 1.6
Voormalige USSR 1970 36.8 34.8 22.3 0.2 1.6 4.3
1990 21.0 30.0 42.0 4.0 1.6 1.3

Mondiaal en Europees verbruik van primaire energie, 1970-1990 (ton olie-equivalent, %)

13. Exploitatie van natuurlijke hulpbronnen

Hier worden de verschillen bekeken tussen hernieuwbare hulpbronnen (water, bossen en gewassen) en niet-hernieuwbare hulpbronnen (fossiele brandstoffen en metaalertsen). Ingevolge de internationale handel en de toenemende interdependentie van de landen van de wereld is een duurzaam beheer van deze hulpbronnen een mondiale aangelegenheid geworden. Bijzondere aandacht wordt besteed aan belangrijke ontwikkelingen in het gebruik van hulpbronnen in Europa en de statistieken aan de hand waarvan het gebruik van hulpbronnen wordt gevolgd.

Europa bezit 8% van de hernieuwbare zoetwatervoorraden, maar neemt 15% van de wateronttrekking voor zijn rekening.

Hoewel Europa (met uitzondering van de voormalige USSR) in 1990 1,9 miljoen ha meer bossen en bosrijke gebieden dan in 1981 telde, leiden verontreiniging en ongecontroleerde kap (Russische Federatie) tot verlies van en schade aan bossen.

Europa heeft het merendeel van zijn hoogwaardige delfstoffenreserves uitgeput en is nu grotendeels op invoer, hoofdzakelijk uit Afrika, aangewezen.

14. Emissies

Hier wordt een overzicht gegeven van de emissies in de lucht en in het water in Europa: hun fysisch-chemische kenmerken, omvang, gedragingen en "putten". Het overzicht van de atmosferische emissies van de belangrijkste verontreinigende stoffen in de Europese landen is gebaseerd op aan UNECE meegedeelde gegevens, alsook op gegevens - voor zover die beschikbaar waren - uit de databank CORINAIR 1990. De analyse van emissies in water berust op de beperkte kwantitatieve informatie die beschikbaar is en is vooral toegespitst op emissies van de landbouw en afvalwater. Sommige voorbeelden maken duidelijk welke rol de industrie als emissiebron in het aquatische milieu speelt. Uit een onderzoek van de bestaande inventarissen van emissies in de Europese landen blijkt vooral de noodzaak van een geïntegreerde aanpak bij het verzamelen van gegevens over emissies en afvalstoffen in lucht, water en bodem en de behoefte aan een harmonisatie op Europees niveau van de inventariseringsmethoden voor emissies.

Europa is verantwoordelijk voor tussen 20 en 30% van de wereldwijd door de mens veroorzaakte emissies van CO2, SO2, VOC's en NOx.

In dichtbevolkte gebieden houdt ongeveer de helft van de in oppervlaktewater geloosde fosfor verband met lozingen van afvalwater.


Trends zwaveldioxide-emissies

15. Afval

De trends inzake afvalproduktie in Europa worden onderzocht en de risico's van de huidige vormen van afvalbeheer voor de gezondheid van de mens en voor het milieu beoordeeld. Voorts worden de huidige grensoverschrijdende stromen van gevaarlijke afvalstoffen in de Europese landen bekeken. De keuzemogelijkheden voor afvalreductie en recycling van grondstoffen via geïntegreerde processen worden voor een aantal afvalstromen aangegeven. De evaluatie berust op recente informatie uit een gezamenlijk onderzoek van de OESO en Eurostat en rapporten over de toestand van het milieu. Uit de beperkte beschikbaarheid, kwaliteit en vergelijkbaarheid van de bestaande afvalstatistieken blijkt duidelijk de noodzaak van een harmonisatie op Europees niveau van de classificatiesystemen voor afval.

Samenstelling van stedelijk afval, 1990

In Europa wordt jaarlijks gemiddeld 350 kg stedelijk afval per hoofd van de bevolking geproduceerd.

Alsmaar meer industrieel afval wordt als gevaarlijk beschouwd.

De hoge produktiecijfers doen het effect van de inspanningen voor afvalbeperking en -recycling teniet.

In Europa beslaan de vuilstortplaatsen een oppervlakte van 1.200 tot 1.700 km5 en zijn er ongeveer 2.000 km5 verlaten industriegronden.

16. Geluid en straling

Hier wordt een overzicht gegeven van de grote abiotische milieufactoren in Europa - geluid, ioniserende en niet-ioniserende straling - en worden de belangrijkste bronnen daarvan aangegeven. De gebruikte gegevens over geluid zijn afkomstig van internationale organisaties (OESO en WGO) en worden, voor zover mogelijk, geanalyseerd om een beeld te geven van de algemene situatie in Europa en in een aantal landen afzonderlijk. Onder de hoofding niet-ioniserende straling worden elektromagnetische velden en ultraviolette straling besproken. Voorts worden de belangrijkste bronnen en gevolgen van - zowel natuurlijke als kunstmatige - ioniserende straling in Europa beschreven.

In de hooggeïndustrialiseerde landen van Europa is meer dan de helft van de bevolking blootgesteld aan geluidsniveaus van het verkeer die hoger liggen dan het niveau dat overdag als zeer hinderlijk wordt ervaren.

Ongeveer 113 miljoen Europeanen, dit is 17% van de bevolking, is blootgesteld aan geluidsniveaus die ernstige nadelige gevolgen hebben.

Overdreven blootstelling aan ultraviolette stralen is grotendeels te wijten aan de levensstijl. Er zijn evenwel aanwijzingen dat UV-B straling in de winter in het noordelijk halfrond met 5% is toegenomen.

Volgens ramingen zou blootstelling aan radon in Europa de oorzaak zijn van 10.000 dodelijk aflopende kankergevallen per jaar.

17. Chemische stoffen en genetisch gemodificeerde organismen

Bij de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van chemische stoffen komen veel verbindingen in het milieu vrij, vaak met ongewenste gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van de mens en de ecosystemen. De bronnen van deze verbindingen worden beschreven, alsmede de invloed van een aantal chemische stoffen die aanleiding geven tot bezorgdheid.

Ook het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen in de EU-landen wordt onderzocht, inclusief de potentiële ongewenste effecten en de bestaande procedures om toezicht op een veilig gebruik ervan uit te oefenen.

Gemelde introducties van genetisch gemodificeerde organismen in de EU in 1991-1994

In de EU zijn ongeveer 100.000 chemische stoffen in de handel en er komen er telkenjare 200 tot 300 nieuwe op de markt.

Van 1991 tot 1994 werden in de EU ongeveer 300 introducties in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen gemeld.

18. Natuurlijke en technologische gevaren

In dit hoofdstuk worden de kenmerken en het belang van ongevallen en natuurlijke gevaren als oorzaak van milieu-effecten onderzocht. Er wordt een overzicht gegeven van oorzaken en gevolgen in Europa en de verschillende soorten schade die kan worden aangericht. Er worden voorbeelden gegeven van industriële ongevallen (waaronder Flixborough, Seveso), ongevallen bij vervoer, ongevallen op zee en nucleaire ongevallen (zoals in Tsjernobyl). Natuurlijke gevaren zoals stormen en overstromingen, hittegolven, branden en grote droogte hebben ook een invloed op het milieu en worden door sommige menselijke activiteiten nog in de hand gewerkt.

Caesiumverontreiniging in de omgeving van Tsjernobyl na het ongeval

Uit de gegevens die een rapportagesysteem voor grote industriële ongevallen heeft opgeleverd, blijkt dat de meeste ongevallen in de aardolie-industrie plaatsvonden en dat de stoffen die het meest aanleiding gaven tot ongevallen zeer ontvlambare gassen en chloor waren.

Ongevallen met tankschepen zijn slechts verantwoordelijk voor 10 tot 15% van de olie die ingevolge menselijke activiteiten in zee terechtkomt.

De gevolgen van het nucleaire ongeval te Tsjernobyl zullen waarschijnlijk nooit in hun volle omvang bekend worden, maar het is bekend dat er zich toch al een aantal onverwachte effecten hebben voorgedaan.

Natuurlijke gevaren treffen meer en meer menselijke vestigingen, misschien omdat het aantal vestigingen is toegenomen, maar ook omdat deze vestigingen kwetsbaarder zijn geworden ingevolge hun ongecontroleerde uitbreiding naar hoog-risicogebieden.


   
 
Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100