Algemene conclusies

Pagina Laatst gewijzigd 19-04-2016 19:31

2. Algemene conclusies

PROBLEMEN

Tabel 1 geeft voor elk van de twaalf belangrijkste milieuproblemen in Europa die in het Dobris rapport werden besproken, een globaal overzicht van de voortgang die de laatste vijf jaar is geboekt. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen vorderingen op het terrein van beleidsontwikkeling en vorderingen in de verbetering van de milieukwaliteit – die soms achterliggen bij beleidsontwikkeling. Het is onvermijdelijk dat de gebruikte gegevens voor sommige terreinen betrouwbaarder zijn dan voor andere. De beschikbare gegevens zijn beperkt in het geval van chemische stoffen, biodiversiteit en het stedelijk leefmilieu. Zo is bijvoorbeeld het "neutraal-teken" voor vooruitgang in beleidsontwikkeling op het gebied van troposferische ozon, gebaseerd op meer betrouwbare gegevens en een grondiger inzicht dan hetzelfde oordeel voor de ontwikkeling van beleid inzake chemische stoffen, waar de evaluatie wordt bemoeilijkt door veranderende opvattingen over de onderliggende problemen en een ernstig tekort aan gegevens.

Tabel 1

Belangrijkste milieuproblemen VORDERINGEN
beleidsontwikkeling
VORDERINGEN
toestand van het milieu
Klimaatverandering +/- -
aantasting ozonlaag + -
verzuring + +/-
troposferische ozon +/- -
chemische stoffen +/- +/-
afval - -
biodiversiteit +/- -
binnenwateren +/- +/-
zee- en kustmilieu +/- -
achteruitgang bodemkwaliteit - -
stedelijk leefmilieu +/- +/-
technologische en natuurrampen + +
Legenda::
+ Positieve ontwikkeling met betrekking tot de ontwikkeling van beleidsplannen of de toestand van het milieu.
+/- Enige beleidsontwikkeling maar onvoldoende om het probleem in zijn geheel aan te pakken (inclusief ontoereikende geografische reikwijdte van het beleid). Weinig of geen verandering in de toestand van het milieu. Kan ook duiden op onzekere of uiteenlopende ontwikkelingen in de verschillende regio’s.
- Weinig beleidsontwikkeling of ongunstige ontwikkeling van de toestand van het milieu. Kan tevens duiden op aanhoudende grote druk op het milieu of een slechte milieusituatie.

Atmosferische problemen

De grote vooruitgang die gedurende een aantal jaren in Europa en daarbuiten is geboekt ten aanzien van de coördinatie van beleidsplannen en acties die zich richten op de reductie van schadelijke emissies en de verbetering van de luchtkwaliteit, hebben in de meeste Europese landen geleid tot aanzienlijke emissiereducties voor verscheidene stoffen. Deze, waaronder zwaveldioxide, lood en stoffen die de ozonlaag aantasten, vormen een gevaar voor het milieu en voor de gezondheid van de mens. Ook de uitstoot van stikstofoxiden en van vluchtige organische stoffen (exclusief methaan - NMVOS) is afgenomen, zij het in geringere mate.

In West-Europa zijn deze veranderingen voornamelijk het resultaat geweest van de uitvoering van beleidsplannen voor emissiereductie, van structurele veranderingen in industriële productie en van het gebruik van schonere brandstoffen. In Midden- en Oost-Europa waren de effecten van reductiemaatregelen kleiner, omdat het energieverbruik en de industriële productie na de structurele economische hervormingen scherp daalden, met als gevolg een aanzienlijke vermindering van grondstoffenverbruik en emissies.

Tabel 2 laat zien welke vooruitgang is geboekt met het realiseren van de reductiedoelstellingen voor emissies naar de lucht. Alleen voor de in deze tabel genoemde verontreinigende stoffen zijn in internationale verdragen en protocollen kwantitatieve doelstellingen op paneuropees niveau vastgesteld.


Tabel 2: Vooruitgang in het bereiken van reductiedoelstellingen


Situatie in: Doelstelling Doelstelling- index (jaar) Vooruitgang
1990=100 1985 1990 1995
lijn.gif (900 bytes)
Klimaatverandering





CO2 emissies

Raamverdrag Verenigde Naties inzake klimaatverandering: stabilisering CO2-emissies op niveau van 1990 in 2000 (pre-Kyoto). Zie tekst voor Kyoto-doelstellingen.
West-Europa 97 100 97 100 (2000) Op schema, zie tekst
LMOE .. 100 80 100 (2000) Op schema
NOS .. 100 81 100 (2000) Op schema
Aantasting ozonlaag
CFK-productie

CFK11, 12, 113, 114, 115 in termen van vermogen tot afbraak ozonlaag. Doelstelling: geleidelijke stopzetting productie CFK’s, met volledige eliminatie vóór 01.01.95, uitgezonderd essentiële aanwendingen en productie voor ontwikkelingslanden voor basisbehoeften. Waarde in 1996: 12.
EU 160 100 11 0 (1995) Op schema
Verzuring
SO2-emissies
Doelstelling van Tweede Zwavelprotocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand
West-Europa 119 100 71 60 (2000) Realisering waarschijnlijk
LMOE 118 100 66 70 (2000) Op schema
NOS 131 100 62 90 (2000) Op schema
NOx-emissie Doelstelling van Eerste NOx-protocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand: stabilisering op niveaus van 1987; EU-doelstelling -30% t.o.v. niveaus van 1990.
West-Europa 93 100 91 70 (2000) Realisering onwaarschijnlijk
LMOE 104 100 72 105 (1994) Op schema
NOS .. 100 67 99 (1994) Op schema
VOS-emissie Doelstelling van VOS-protocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, uitgezonderd natuurlijke emissies.
West-Europa 97 100 89 70 (2000) Realisering onwaarschijnlijk
LMOE - 100 81 70 (1999) Realisering onwaarschijnlijk
NOS - 100 70 70 (1999) Op schema

Opmerking: Slechts voor vier NOS-landen zijn gegevens voorhanden (Wit-Rusland, Moldavië, Russische Federatie en Oekraïne). Hoewel de evaluatie is uitgevoerd voor het hele gebied, gelden de doelstellingen alleen voor landen die partij zijn bij de desbetreffende verdragen.

Hoewel uit tabel 2 duidelijk blijkt dat er vooruitgang is geboekt, is het voor het bereiken van overeengekomen en voorgenomen doelstellingen nodig dat de emissies van verscheidene verontreinigende stoffen nog verder worden gereduceerd. De meeste emissiereducties die tot dusver zijn gerealiseerd, zijn het resultaat van structurele economische veranderingen en van maatregelen gericht op grote puntbronnen in de industrie- en energiesectoren. Met de uitzondering van lood afkomstig van loodhoudende benzine, is men minder succesvol geweest in de vermindering van emissies van diffuse bronnen, zoals het vervoer en de landbouw, sectoren waarvan de emissies moeilijker onder controle te brengen zijn en die een betere integratie van milieu- en ander beleid vereisen.

klimaatverandering

Hoewel de emissies van broeikasgassen enigszins zijn teruggebracht (de emissie van kooldioxide is tussen 1990 en 1995 voor Europa als geheel met 12% en voor West-Europa met 3% gedaald) zijn veel van deze reducties het gevolg van structurele veranderingen, zoals de sluiting van een groot deel van de zware industrie in Oost-Europa en het overschakelen van kolen op gas voor elektriciteitswinning in enkele West-Europese landen.

Het grootste deel van de kooldioxide-uitstoot komt voor rekening van de energiesector (in 1995 ongeveer 35%), gevolgd door de industrie, het vervoer en de huishoudens + commerciële sectoren, die elk in ongeveer gelijke mate bijdragen (circa 20% elk), waarbij het aandeel van de vervoersector steeds groter wordt. Het laatste "business-as-usual"-scenario dat de Europese Commissie voor de EU heeft opgesteld, laat een stijging van de kooldioxide-uitstoot tussen 1990 en 2010 van 8% zien, hetgeen in scherp contrast staat met de huidige doelstelling voor de Europese Unie om de uitstoot met 8% te reduceren (geldend voor een groep van zes gassen, waaronder kooldioxide), zoals overeengekomen in Kyoto in december 1997. Het is duidelijk dat de doelstelling van Kyoto alleen haalbaar is als op alle niveaus en in alle economische sectoren maatregelen worden genomen.

aantasting van de ozonlaag

De uitvoering van het Protocol van Montreal en de latere aanvullingen daarop, heeft de wereldproductie en uitstoot van stoffen die de ozonlaag aantasten, met 80-90% verminderd. In Europa zijn soortgelijke reducties gerealiseerd.

Vanwege de persistentie van deze stoffen in het bovenste deel van de atmosfeer, zal het echter vele decennia duren voordat de ozonniveaus in de stratosfeer zich hebben hersteld. Dit onderstreept het belang van emissiereducties voor de overige stoffen die de ozonlaag aantasten (HCFK’s, methylbromide) en van stappen om ervoor te zorgen dat de bestaande maatregelen naar behoren worden uitgevoerd, ten einde het herstel te bespoedigen.

verzuring

Sinds het Dobris rapport is enige vooruitgang geboekt met de aanpak van het verzuringsprobleem. Dit is voornamelijk gebeurd middels de continue vermindering van zwaveldioxide-emissies (50% tussen 1980 en 1995 voor Europa als geheel). De emissies van stikstofoxiden en ammoniak zijn met 15% gedaald. Voor circa 10% van het landoppervlak van Europa is het niveau van zure depositie echter nog steeds te hoog. Wat de NOx-emissies door het vervoer betreft, heeft de ontwikkeling van milieubeleid geen gelijke tred kunnen houden met de toename van het autogebruik. De toename van het aantal auto’s en het gebruik ervan neutraliseert de voordelen van technische verbeteringen die in toenemende mate ingang vinden, zoals schonere motoren en katalysatoren in personenauto’s. Als gevolg hiervan wordt de vervoersector geleidelijk de grootste vervuiler wat de uitstoot van stikstofoxiden betreft. Gezien het grote groeipotentieel van het particuliere vervoer in de LMOE en de NOS, zal dit probleem waarschijnlijk alleen nog maar groter worden.

troposfærische  ozon en zomersmog

Ondanks het feit dat het verkeer in heel Europa toeneemt, was tussen 1990 en 1995 voor Europa als geheel sprake van een aanzienlijk reductie (14%) van de uitstoot van stoffen die tot ozon vorming leiden. De oorzaak hiervoor lag enerzijds bij de uitvoering van een combinatie van reductiemaatregelen en anderzijds bij de economische herstructureringen die in Oost-Europa hebben plaatsgevonden. Zomersmog, veroorzaakt door hoge concentraties van troposferische ozon, is in veel Europese landen echter nog steeds een veel voorkomend verschijnsel, dat een gevaar voor de gezondheid van de mens en de vegetatie vormt.

Voor een beduidende verlaging van de concentraties van troposferische ozon zijn op het hele noordelijk halfrond verdere aanzienlijke reducties van NOx- en NMVOS-emissies vereist. Na het NOx-protocol dat in 1988 in het kader van het ECE-Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (CLRTAP) werd ondertekend, is de volgende stap een protocol gericht op de geco-ordineerde aanpak van fotochemische vervuiling, verzuring en eutrofiëring. Een dergelijk protocol zal naar verwachting in 1999 klaar zijn voor aanvaarding en waarschijnlijk forsere emissiereducties bevatten. Met name de emissies van de snelgroeiende vervoersector zullen moeilijk te beheersen zijn. Het vervoer is in Europa als geheel verantwoordelijk voor het grootste deel van de NOx-emissies en in West-Europa voor het grootste deel van de NMVOS-uitstoot.

In Oost-Europa is de industrie nog steeds de belangrijkste bron van NMVOS-emissies, maar de verwachte groei van de vervoersector zou daar verandering in kunnen brengen.

chemische stoffen

Vanwege het enorme aantal in algemeen gebruik zijnde chemische stoffen en door de gebrekkige kennis over de de beweging van deze stoffen in het milieu en de wijze waarop ze daar accumuleren, alsook over de mate waarin chemische stoffen een gevaar voor mens en milieu vormen, nog steeds onduidelijk.

Omdat het zo moeilijk en tijdrovend is het grote aantal in potentie gevaarlijke chemische stoffen (of samenstellingen daarvan) die gebruikt worden of vrijkomen, alle op hun toxiciteit te beoordelen, zijn enkele van de huidige strategieën gericht op een algehele vermindering van de milieubelasting door chemische stoffen (en daarmee van blootstelling eraan) door het vermijden of verminderen van het gebruik en de emissie van deze stoffen. Nieuwe instrumenten zoals programma’s voor vrijwillige reductie en registers van de emissies van toxische en andere verontreinigende stoffen, krijgen steeds meer aandacht.

afval

De gemelde totale afvalproductie is tussen 1990 en 1995 naar schatting met bijna 10% toegenomen. Een deel van deze toename kan echter het gevolg zijn van een betere inventarisatie.

Afvalbeheer is in de meeste landen nog steeds grotendeels een kwestie van storten, hetgeen van de beschikbare alternatieven de goedkoopste is. In toenemende mate wordt echter onderkend dat het beperken en voorkómen van afval, meer wenselijke oplossingen zijn voor het afvalprobleem. Desalniettemin kan nog geen algehele ontwikkeling in deze richting worden vastgesteld. Hergebruik of herverwerking (recycling) wordt over het algemeen met meer succes toegepast in landen met een goede infrastructuur voor afvalbeheer.

Tot de prioriteiten in de LMOE en de NOS behoren de verbetering van het stedelijk afvalbeheer door betere afvalscheiding en beter beheer van stortplaatsen; het invoeren van maatregelen voor hergebruik of herverwerking op lokaal niveau; en de uitvoering van goedkope maatregelen voor het tegengaan van de verspreiding van bodemverontreiniging op belangrijke stortplaatsen.

biodiversiteit

De bedreiging van de biodiversiteit door menselijke activiteiten (intensieve landbouw, bosbouw, verstedelijking en infrastructuurontwikkeling, alsook vervuiling) is sinds het Dobris rapport over het algemeen toegenomen.

Deze bedreiging komt voort uit een uniform en in toenemende mate grootschalig beheer van land- en bosbouw, versnippering van het landschap (wat leidt tot de isolering van natuurlijke habitats en soorten), de accumulatie van chemische stoffen, het onttrekken van water, verstoring en de introductie van uitheemse soorten. Er zijn tal van nationale en internationale initiatieven voor natuurbescherming opgezet, maar de uitvoering ervan verloopt traag. Op lokaal niveau hebben enkele specifieke natuurbeschermingsmaatregelen positieve effecten gehad, maar er is weinig vooruitgang met de ontwikkeling van duurzame landbouw geboekt.

In delen van de LMOE en de NOS bevinden zich uitgestrekte gebieden met betrekkelijk onaangetaste bossen en andere natuurlijke habitats. Deze zouden echter bedreigd kunnen worden door belastingen die voortkomen uit economische verandering en ontwikkeling, tenzij doeltreffende beschermingsmaatregelen worden ingebouwd in het Milieuprogramma voor Europa (EPE) en in de nationale beleidsplannen voor economische ontwikkeling en de daarmee verband houdende financiële mechanismen, alsook in de toetredingsverdragen voor de landen die zich bij de EU willen aansluiten.

binnen- en zeewateren

In het Milieuprogramma voor Europa wordt bijzondere aandacht besteed aan het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder de binnen-, kust- en zeewateren. Toch worden deze wateren nog steeds bedreigd.

Hoewel de mate van grondwateronttrekking het laatste decennium stabiel is geweest en in een aantal West- en Oost-Europese landen zelfs is gedaald, bestaat vooral rond stedelijke gebieden nog steeds de mogelijkheid van watertekort. Lekverliezen in distributiesystemen zijn in sommige landen nog steeds een probleem, en inefficiënt watergebruik is dat in alle landen.

De grondwaterkwaliteit – en dientengevolge de gezondheid van de mens – wordt bedreigd door hoge concentraties nitraat afkomstig uit de landbouw. De concentraties bestrijdingsmiddelen in het grondwater overschrijden doorgaans de maximaal toelaatbare concentraties die op EU-niveau zijn vastgesteld en veel landen maken melding van de vervuiling van het grondwater door zware metalen, koolwaterstoffen en gechloreerde koolwaterstoffen. Omdat verontreinigende stoffen langzaam tot het grondwater doordringen en zich ook langzaam door het grondwater verplaatsen, vergt de verbetering van de grondwaterkwaliteit vele jaren.

Over het algemeen is de kwaliteit van de Europese rivieren sinds 1990 niet verbeterd. Ondanks het feit dat de fosfor-emissies de laatste vijf jaar met 40-60% zijn verminderd – door maatregelen in de industrie en op het terrein van de afvalwaterbehandeling en doordat in huishoudens in toenemende mate fosfaatvrije wasmiddelen worden gebruikt – is hetgeen in het Dobris rapport werd vermeld over het probleem van de eutrofiëring van rivieren, meren, kunstmatige waterbekkens en kust- en zeewateren, onverminderd van kracht.

Veel Europese zeeën worden nog steeds zwaar overbevist en voor een aantal soorten is de visstand ernstig teruggelopen, hetgeen nogmaals het belang onderstreept van de dringende oproep tot het bevorderen van duurzame visserij die in het Milieuprogramma voor Europa wordt gedaan.

achteruitgang bodemkwaliteit

Bodemerosie en verzilting zijn in veel gebieden nog steeds ernstige problemen, met name rond de Middellandse Zee. Er is weinig vooruitgang geboekt met bodembescherming, een ander onderwerp dat bijzondere aandacht krijgt in het Milieuprogramma. Een groot aantal plekken met bodemverontreiniging moet nodig worden gesaneerd. Tot dusver zijn 300.000 plaatsen geïdentificeerd die mogelijk verontreinigd zijn, voornamelijk in gebieden in West-Europa met een lange traditie van zware industrie.

Voor Oost-Europa, waar zich onder meer een groot aantal verontreinigde militaire terreinen bevindt, is voor het bepalen van de omvang van het probleem betere informatie nodig.

stedelijk leefmilieu

De stedelijke bevolking in Europa is verder toegenomen en Europese steden vertonen nog steeds tekenen van milieudruk: slechte luchtkwaliteit, buitensporige geluidsniveaus, verkeersopstopping, verlies van groen, en aantasting van historische gebouwen en monumenten.

Hoewel zich sinds het Dobris rapport enige verbeteringen hebben voorgedaan (bijvoorbeeld in de luchtkwaliteit in steden), leiden veel vormen van milieudruk, met name die welke door het vervoer worden veroorzaakt, in toenemende mate tot een verslechtering van de kwaliteit van leven en de gezondheid van de mens. Een van de positieve ontwikkelingen is de groeiende belangstelling van steden voor de lokale Agenda 21-beweging. Meer dan 290 Europese steden hebben het Handvest van Aalborg van Europese steden en gemeenten op weg naar duurzaamheid ondertekend. De toepassing van de lokale Agenda 21-beleidsplannen en -instrumenten, die een aanzienlijke verbetering op basis van gezamenlijke lokale acties beloven, wordt in snel tempo de belangrijkste ontwikkeling in steden.

technologische en natuurrampen

Naast de voortdurende druk van dagelijkse menselijke activiteiten, wordt het Europese milieu aangetast door de gevolgen van incidenteel voorkomende grote bedrijfsongevallen en natuurrampen. Gegevens over zulke catastrofes zijn op dit moment op EU-niveau alleen voor bepaalde domeinen beschikbaar. Voor de LMOE en de NOS zijn zelfs nog minder gegevens voorhanden. Te oordelen naar de gerapporteerde gevallen, lijkt het aantal bedrijfsongevallen per eenheid activiteit in de EU af te nemen.

Schade door overstromingen en andere rampen met een klimatologische achtergrond, neemt toe in Europa, mogelijk onder invloed van menselijke activiteiten, zoals het aanbrengen van veranderingen in het landschap (zoals bodemafdichting onder stedelijke gebieden en infrastructuur) alsook door het vaker vóórkomen van extreme weersomstandigheden.

SECTOREN

Uit bovenstaande evaluatie blijkt dat sommige vormen van milieudruk weliswaar zijn verminderd, maar dat dit in het algemeen niet heeft geleid tot een verbetering van de toestand of kwaliteit van het milieu in Europa. Dit is in sommige gevallen te wijten aan het feit dat het enige tijd duurt voordat de effecten van maatregelen zoals die voor het herstel van de ozonlaag of voor het verlagen van de fosfor-concentraties in meren, merkbaar zijn. In veel gevallen zijn de getroffen maatregelen, gezien de omvang en complexiteit van het probleem, echter te beperkt geweest (bijvoorbeeld in het geval van zomersmog of bestrijdingsmiddelen in grondwater).

Het zwaartepunt van het Europese milieubeleid heeft van oudsher gelegen bij het bestrijden van de vervuiling aan de bron en de bescherming van bepaalde delen van het milieu. De laatste tijd gaat de aandacht echter meer uit naar de integratie van milieu in andere beleidsdomeinen de bevordering van duurzame ontwikkeling.

Vervoer, energie, industrie en landbouw zijn belangrijke "drijvende krachten" achter de aantasting van het Europese milieu. De mate van ontwikkeling van milieubeleid en de effectieve uitvoering daarvan verschilt aanzienlijk per sector. De industrie- en energiesector is betrekkelijk goed gedekt door milieubeleid, maar sommige terreinen, zoals energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, zijn nog onderbelicht; de landbouw kent wat minder milieubeleid, maar de sector wordt momenteel nader bekeken; de situatie met betrekking tot de vervoersector is in dit opzicht nog steeds onbevredigend.

klimaatverandering, verzuring, zomersmog, biodiversiteit, stedelijke problemen, chemische stoffen, ongevallen

Vervoer: Het vrachtvervoer over de weg is sinds 1980 voor Europa als geheel met 54% gestegen (gemeten in ton-km), het passagiersvervoer met de auto sinds 1985 met 46% (passagiers-km, alleen voor de EU), en het passagiersvervoer door de lucht sinds 1985 met 67%.

Meer dan voor welke andere sector ook, geldt voor de vervoersector dat de milieubeleidsplannen geen gelijke tred kunnen houden met het groeitempo. De verkeersopstopping, de luchtverontreiniging en het verkeerslawaai nemen almaar toe. Tot voor kort werd de toename van het vervoer beschouwd als een wezenlijk element van economische groei en ontwikkeling: regeringen beschouwden het als hun taak de noodzakelijke infrastructuur te ontwikkelen. De taak van de overheid met betrekking tot het milieu bestond er slechts uit de emissienormen voor voertuigen geleidelijk aan te scherpen en ervoor te zorgen dat de brandstofkwaliteit verbeterde en dat de keuze van verkeerswegen mede gebeurde op basis van een milieueffectrapportering.

Blijkens het rapport is ten aanzien van deze beperkte doelstellingen in het grootste deel van Europa enige vooruitgang geboekt. De voortdurende groei van de verkeers- en vervoersinfrastructuur heeft echter geleid tot een algehele toename van vervoersgebonden milieuproblemen en van de bezorgdheid van het publiek daarover. Als gevolg hiervan worden nu meer dan voorheen vraagtekens gezet bij de relatie tussen economische ontwikkeling en verkeersgroei.

Sinds kort worden pogingen ondernomen de groei van de vervoersvraag te beperken, wordt het gebruik van het openbaar vervoer bevorderd en worden nieuwe vestigings- en productiepatronen aangemoedigd die de vervoersbehoefte doen afnemen. Deze overstap naar een duurzamer vervoersmodel zal niet gemakkelijk zijn, omdat de traditionele benadering van infrastructuurontwikkeling aanzienlijke politieke steun geniet en het openbaar vervoer overal in Europa terrein verliest ten opzichte van het particulier vervoer.

 

klimaatverandering, verzuring, zomersmog, biodiversiteit, kust- en zeemilieu, stedelijke problemen

Het energieverbruik, de belangrijkste drijvende kracht achter klimaatverandering en een aantal problemen met betrekking tot luchtverontreiniging, is sinds het Dobris rapport in West-Europa constant op een hoog niveau gebleven.

In de LMOE en de NOS is het energieverbruik sinds 1990 als gevolg van economische herstructureringen met 23% gedaald, maar met het aantrekken van de economie zal het verbruik naar verwachting weer stijgen. Een efficiëntere energieproductie en een doelmatiger energiegebruik vormen een cruciaal onderdeel van een duurzamer energiebeleid.

De betrekkelijk lage energieprijzen betekenden een onvoldoende stimulans voor het realiseren van verbeteringen gericht op een grotere energie-efficiëntie in West-Europa. De energie-efficiëntie neemt momenteel weliswaar met zo’n 1% per jaar toe, maar het BBP blijft doorgroeien met ongeveer 2-3% per jaar.

Er bestaan aanzienlijke mogelijkheden voor een verdere verbetering van de energie-efficiëntie in West-Europa, met name in de vervoersector en de huishoudens, maar gezien de ervaringen in het verleden lijkt een dergelijke verbetering bij ongewijzigd lage prijzen voor fossiele brandstoffen, alleen mogelijk als krachtigere beleidsmaatregelen worden genomen.

In Oost-Europa zou economische convergentie met het Westen kunnen leiden tot een breuk in de huidige trend naar een lager energieverbruik en tot een hernieuwde toename van de emissies van broeikasgassen en andere luchtverontreinigende stoffen, met name in de industrie-, vervoer- en huishoudsector. Waarschijnlijk zijn ook in Oost-Europa nieuwe maatregelen nodig ter bevordering van een grotere efficiëntie bij productie en gebruik van energie.


klimaatverandering, aantasting ozonlaag, verzuring, chemische stoffen, biodiversiteit, afval, water, kust- en zeemilieu, stedelijke problemen, ongevallen

Industrie: De relatieve bijdrage van de industrie aan klimaatverandering, verzuring, troposferische ozon en waterverontreiniging, is sinds het Dobris rapport verminderd.

In West-Europa worden milieudoelstellingen steeds meer geïntegreerd in de besluitvormingsprocessen van industriële ondernemingen, met als resultaat een algemene daling van de industriële emissies naar lucht en water. In Oost-Europa is een dergelijke integratie van milieudoelstellingen nog ongewoon, hetgeen voor deze landen de noodzaak onderstreept van het opzetten van deugdelijke bestuurlijke structuren waarbij men kan beschikken over de noodzakelijke middelen voor de uitvoering en handhaving van milieuwetgeving, en van het ruimer ingang doen vinden bij ondernemingen van milieubeheersystemen. Met de vernieuwing van een belangrijk deel van het productiesysteem kan in technologisch opzicht een grote stap vooruit worden gezet.

De milieueffecten van kleine en middelgrote ondernemingen zijn in heel Europa aanzienlijk, net als het potentieel van deze ondernemingen voor verbetering. Over het algemeen worden deze ondernemingen nog niet onderworpen aan effectieve milieumaatregelen.


klimaatverandering, aantasting ozonlaag, verzuring, chemische stoffen, biodiversiteit, afval, water, kust- en zeemilieu, bodem

Landbouw: In het verleden was het landbouwbeleid van de Europese regeringen in de regel gericht op het maximaliseren van de voedselproductie en het op peil houden van het inkomen van boeren. Sinds kort beginnen beleidsmakers meer aandacht te besteden aan milieueisen en de noodzaak van een duurzamere landbouw. Het rapport laat echter zien dat er nog een lange weg te gaan is.

De laatste vijf jaar zijn de opbrengsten in West-Europa dankzij verbeterde landbouwmethoden verder gestegen. Het gebruik van hulpmiddelen als kunstmest en bestrijdingsmiddelen (gemeten op basis van het gewicht van de actieve stoffen) heeft zich gestabiliseerd (alhoewel dit niet onmiddellijk heeft geresulteerd in een verbetering van de grondwaterkwaliteit, zoals hierboven reeds is aangeduid). Het waterverbruik is echter verder gestegen.

Door de groei van de veestapel en de daaruit voortvloeiende toename van de productie van dierlijke mest en van de emissie van gereduceerde stikstofverbindingen, is eutrofiëring in Noordwest-Europa een groot probleem geworden en wordt het dat in toenemende mate in Zuid-Europa. Natuurlijke habitats en biodiversiteit worden op tal van plaatsen bedreigd door intensieve landbouwmethoden en nieuwe nederzettingen.

Individuele landen zijn begonnen met het stimuleren van milieuvriendelijkere landbouwmethoden, maar milieuoverwegingen bepalen nog steeds slechts voor een klein deel het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie. Toepasssing van de GATT en hervorming van het GLB kunnen leiden tot een verdere rationalisatie en specialisatie van de landbouwproductie en tot het braak laten liggen van weinig rendabel land. Tussen het braak laten liggen van land en de effecten daarvan op de biodiversiteit, bestaat echter geen simpele relatie.

In Oost-Europa behoren de structurele hervorming, modernisering en diversificatie van de landbouwsector nog steeds tot de prioriteiten. De complexiteit van de situatie en de onzekerheden die daaromtrent bestaan, maken het echter moeilijk een algemene beoordeling te geven van de effecten van dergelijke ontwikkelingen.


lijn.gif (900 bytes)

Over het algemeen zullen voor het realiseren van duurzame niveaus van milieubelasting en een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen waarschijnlijk grote technologische vorderingen nodig zijn, evenals een grootschalige omschakeling op activiteiten die een minder groot beslag leggen op natuurlijke hulpbronnen en minder schade toebrengen aan het milieu.

Terwijl er op nationaal niveau enige vooruitgang is geboekt met de ontwikkeling van beleid voor de integratie van milieueisen in het besluitvormingsproces (zoals milieuactieplannen of eisen ten aanzien van milieueffectrapporteringen), is er nog een lange weg te gaan voordat deze op paneuropees niveau worden uitgevoerd. De mogelijkheden voor verbeteringen die groot genoeg zijn om de nadelige milieueffecten van productie- en consumptiegroei te onderdrukken, zijn echter aanzienlijk, met name in de LMOE en de NOS. In deze landen bieden economische herstructurering en technologische vernieuwing mogelijkheden voor het vermijden van enkele van de meest verspillende technologieën van West-Europa.

Top
Indleiding Conclusies per milieuprobleem
Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100