Persoonlijke hulpmiddelen

Kennisgevingen
Krijg meldingen over nieuwe rapporten en producten. Frequentie: 3-4 e-mails/maand.
Abonnementen
Abonneren om onze verslagen (op papier en/of in elektronische vorm) en onze driemaandelijkse elektronische nieuwsbrief te ontvangen.
Volg ons
Twitter icoon Twitter
Facebook icoon Facebook
YouTube-icoon YouTube kanaal
RSS-logo RSS-feed
Meer

Write to us Write to us

For the public:


For media and journalists:

Contact EEA staff
Contact the web team
FAQ

Call us Call us

Reception:

Phone: (+45) 33 36 71 00
Fax: (+45) 33 36 71 99


volgende
vorige
items

Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Sound and independent information
on the environment

U bent hier: Home / Publicaties / Het milieu in Europa: de tweede balans / 4. Verzuring

4. Verzuring

4. Verzuring

Voornaamste

bevindingen


Sinds het Dobris-rapport zijn de effecten van zure depositie als gevolg van de emissie van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak in zoet water enigszins afgenomen en vertonen de populaties van ongewervelde dieren op veel plaatsen weer een gedeeltelijk herstel. De vitaliteit van veel bossen neemt nog steeds af. Weliswaar hoeft de schade aan bossen niet per definitie verband te houden met verzuring, maar de langetermijneffecten van zure depositie op de bodem spelen wellicht toch een rol. In kwetsbare gebieden leidt verzuring tot een grotere mobiliteit van aluminium en zware metalen, met als gevolg grondwatervervuiling.


Sinds 1985 is de zure depositie afgenomen. De kritische belasting (het depositieniveau waarboven op lange termijn schadelijke effecten kunnen worden verwacht) wordt echter nog steeds op ongeveer 10% van het landoppervlak van Europa overschreden, voornamelijk in Noord- en Midden-Europa.


De uitstoot van zwaveldioxide in Europa is tussen 1980 en 1995 gehalveerd. De totale stikstofemissie (stikstofoxiden plus ammoniak), die tussen 1980 en 1990 ruwweg constant bleef, is tussen 1990 en 1995 met zo’n 15% gedaald, waarbij de grootste daling in de LMOE en de NOS werd geregistreerd.


De vervoersector is de grootste bron van NOX-emissies geworden: in 1995 kwam 60% van de totale NOX-uitstoot voor rekening van deze sector. Het vrachtvervoer over de weg steeg tussen 1980 en 1994 met 54%; het personenvervoer over de weg steeg tussen 1985 en 1995 met 46% en het personenvervoer door de lucht in diezelfde periode met 67%.


In West-Europa heeft de invoering van de katalysator geleid tot geringere emissies door de vervoersector. Vanwege het lage tempo waarin het wagenpark wordt vernieuwd, duurt het vrij lang voordat dergelijke maatregelen zichtbaar effect opleveren. Voor verdere reducties zijn waarschijnlijk fiscale maatregelen op het gebied van brandstoffen en voertuigen nodig.


Het particulier vervoer in de LMOE en de NOS heeft een aanzienlijk groeipotentieel, maar er bestaan ook mogelijkheden voor aanzienlijke verbeteringen van de energie-efficiëntie binnen die sector.


De beleidsmaatregelen ter bestrijding van de verzuring zijn slechts voor een deel succesvol geweest:


De doelstelling in het NOX-protocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, om de uitstoot van stikstofoxiden vóór 1994 op het niveau van 1987 te stabiliseren, werd voor Europa als geheel gerealiseerd, maar niet door alle 21 partijen bij het protocol afzonderlijk. Sommige partijen en niet-partijen bereikten echter aanzienlijke reducties.


In het Vijfde Milieuactieprogramma van de Europese Commissie is de doelstelling vastgelegd om tussen 1990 en 2000 de emissie van stikstofoxiden met 30% te verminderen. Tegen 1995 was echter slechts een reductie van 8% gerealiseerd, waardoor het onwaarschijnlijk lijkt dat de doelstelling voor het jaar 2000 wordt bereikt.


Een protocol dat meerdere verontreinigende stoffen bestrijkt en gericht is op de bestrijding van meerdere effecten, is naar verwachting in 1999 gereed. De doelstelling wordt het aanscherpen, op een kosten-verantwoorde basis, van de nationale emissieplafonds voor stikstofoxiden, ammoniak en vluchtige organische stoffen, exclusief methaan (NMVOS).


De doelstelling van het Eerste Zwavelprotocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, om de zwavelemissies in 1993 ten opzichte van 1980 met 30% te hebben verminderd, werd zowel door alle 21 partijen bij het protocol als door vijf niet-partijen verwezenlijkt. Verscheidene Europese landen, waaronder Portugal en Griekenland, verminderden hun zwavelemissies in deze periode echter niet in dezelfde mate. Over het bereiken van de tussendoelstelling van het Tweede Zwavelprotocol vóór 2000 bestaat echter onzekerheid en voor het realiseren van de lange-termijndoelstelling - het niet overschrijden van de kritische belasting - zijn aanvullende maatregelen nodig.

De doelstelling van het Vijfde Milieuactieprogramma om vóór 2000 de zwaveldioxide-emissies in vergelijking met 1985 met 35% te verminderen, werd door de EU als geheel in 1995 gerealiseerd (gemiddelde reductie van 40%) alsook door de meeste lidstaten afzonderlijk.


In lijn met het Vijfde Milieuactieprogramma wordt nu in de EU gewerkt aan verdere maatregelen voor het bereiken van de lange-termijndoelstelling van het Tweede Zwavelprotocol bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand. Daartoe behoren onder meer de vermindering van het zwavelgehalte in olieproducten, de vermindering van de emissies door grote verbrandingsinrichtingen, en de vaststelling van emissienormen voor wegvoertuigen. Een voorlopige doelstelling voor de verzuringsstrategie van de EU die momenteel wordt besproken, is een reductie van de NOX-emissies van 55% tussen 1990 en 2010. Voor het bereiken van deze doelstelling zal bijzondere aandacht aan de emissies van de vervoersector moeten worden besteed.

4.1. Inleiding

Zure depositie, grotendeels voortkomend uit de door de mens veroorzaakte emissie van drie gasvormige verontreinigende stoffen, te weten, zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3), brengt in grote delen van Europa schade toe aan zoetwatersystemen, bossen, bodems en natuurlijke ecosystemen die gevoelig zijn voor verzuring. De zichtbare effecten hiervan zijn onder meer bladverlies en een geringere vitaliteit van bomen, afname van het visbestand en geringere diversiteit aan andere waterdieren in meren, rivieren en stromen die gevoelig zijn voor verzuring, alsmede veranderingen in de chemie van de bodem. Ook belangrijke onderdelen van het Europees erfgoed, zoals kalkstenen en marmeren gebouwen, monumenten en gebrandschilderde ramen, worden aangetast. De depositie van stikstofverbindingen heeft tevens eutrofiërende effecten op terrestrische en mariene ecosystemen. De gevolgen van de verzuring voor meren zijn sinds het Dobris-rapport afgenomen, voornamelijk door de afname van zwavelemissies. De verzuring van bodems zal echter doorgaan zolang de kritische belasting wordt overschreden, hetgeen nog steeds in grote delen van Europa gebeurt.

Het grootste deel van de SO2- en NOx-emissies is afkomstig van de verbranding van kolen en overblijvende stookolie, in het bijzonder voor het opwekken van elektriciteit in energiecentrales, voor het verwarmen van woningen en gebouwen in de commerciële en de dienstensector, voor industriële activiteiten, en voor de aandrijving van diesel- of benzinemotoren, onder meer in schepen en luchtvaartuigen. NH3-emissies zijn voornamelijk afkomstig van de productie en verspreiding van dierlijke mest.

Kader 4.1: Vervoer en depositie van verzurende stoffen

In de atmosfeer geëmitteerde SO2, NOx en NH3 komt direct terug naar het aardoppervlak, als droge depositie op bomen en planten of andere objecten op het aardoppervlak of als natte depositie opgelost in regen, sneeuw, hagel, mist en dauwdruppels, of indirect, in droge of vloeibare vorm na chemische omzetting. Oxidatie van SO2 en NOx kan leiden tot respectievelijk zwavel- en salpeterzuur, hetzij in de atmosfeer of na depositie. NH3 kan een reactie aangaan met zwavel- en salpeterzuur en op die manier respectievelijk ammoniumsulfaat- en -nitraatdeeltjes vormen.

 

De tijd gedurende welke verzurende gassen en deeltjes in de atmosfeer verblijven, is afhankelijk van de weersomstandigheden en chemische omstandigheden. Depositie van zwavelverbindingen vindt in de regel binnen twee tot vier dagen na emissie plaats. Stikstofoxiden blijven over het algemeen langer in de atmosfeer, maar de omzetting ervan in salpeterzuur geschiedt betrekkelijk snel en het salpeterzuur wordt snel uit de atmosfeer verwijderd. Ook de depositie van ammoniak vindt snel plaats, maar niet wanneer het een verbinding met zwavel- of salpeterzuur aangaat en in ammoniumsulfaat of -nitraat wordt omgezet. Deze interacties zijn met name van belang voor het transport over grote afstand van zwavel- en stikstofverbindingen, die na een dergelijke chemische omzetting duizenden kilometers kunnen worden getransporteerd.

 

De meeste zwavel slaat in de gebieden met de hoogste emissieniveaus neer, voornamelijk in de vorm van droge depositie van zwaveldioxide. Ook in gebieden met hoge neerslagniveaus, bijvoorbeeld in kust- en berggebieden, vindt aanzienlijke depositie van zwavel plaats. Er is sprake van vergelijkbare patronen met betrekking tot de depositie van geoxideerde stikstof (welke uit NOx-emissies voortkomt), ofschoon in verhouding tot zwavel kleinere hoeveelheden bij de emissiebron neerslaan. Geoxideerde stikstof wordt over grotere afstanden getransporteerd en draagt bij aan het probleem van troposferische ozon (hoofdstuk 5) omdat NOx een belangrijke uitgangsstof van ozon is. Het depositiepatroon van gereduceerde stikstofverbindingen (welke uit ammoniak-emissies voortkomen) wordt, in grotere mate dan dat van zwavel, bepaald door hoge depositieniveaus dichtbij de bron. Bij ammoniak is derhalve minder sprake van transport over grote afstand dan bij zwavel- en stikstofoxiden. In Frankrijk  bijvoorbeeld is 33% van de zwaveldepositie en 62% van de depositie van totaal stikstof afkomstig van bronnen in Frankrijk zelf, respectievelijk 30% en 15% van de buurlanden Duitsland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk, en respectievelijk 37% en 23% van verder gelegen bronnen.

 

De voornaamste bron van informatie over deposities, concentraties, transport over grote afstand en grensoverschrijdende stromen van verzurende luchtverontreinigende stoffen is het Europees programma voor controle en evaluatie (EMEP), dat is opgezet in het kader van het in 1979 in Genève ondertekende ECE-verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (LRTAP). Op kaart 4.1 is het werkterrein van het EMEP weergegeven.

 

Na hun emissie in de atmosfeer worden de verzurende gassen verspreid en kunnen ze verschillende dagen in de lucht blijven en door de wind over grote afstanden worden verplaatst, waardoor de effecten ervan ver van de emissiebron waarneembaar zijn. De processen via welke verzurende emissies neerslaan op het aardoppervlak en daar leiden tot verzuring van bodem en water, worden in kader 4.1 kort beschreven. In kader 4.2 wordt het begrip ‘kritische belasting’ gedefinieerd.

Verzuring is een grensoverschrijdend probleem dat vraagt om een combinatie van nationale en internationale initiatieven, zoals maatregelen waarmee het overschakelen op schonere brandstoffen en het realiseren van emissiereducties wordt gestimuleerd, in het bijzonder met betrekking tot voertuigen en kolen- en oliegestookte elektriciteitscentrales.

4. Verzuring (.pdf)

Geographical coverage

[+] Show Map

Opmerkingen

Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100