Menselijke activiteiten

Pagina Laatst gewijzigd 19-04-2016 19:31

MENSELIJKE ACTIVITEITEN

Menselijke activiteiten zijn een bron van milieubelastingen. In dit deel van het verslag worden acht sleutelsectoren van de menselijke bedrijvigheid onderzocht en wordt een overzicht gegeven van milieu-effecten, vooruitzichten en drijvende krachten.

19. Energie

De met energie samenhangende activiteiten worden in drie stadia - produktie van primaire energie, omzetting in afgeleide energie (elektriciteit en warmte) en eindgebruik - op lokaal en paneuropees niveau onderzocht. Er wordt een kort overzicht gegeven van de milieu-effecten van fossiele brandstoffen, kernenergie en hernieuwbare energie. De factoren die bepalend zijn voor het toekomstige energiegebruik en geprojecteerde veranderingen worden aangegeven.

Energieverbruik en BIP zijn sinds de crises van de jaren '70 ontkoppeld.

Het aandeel van de verschillende sectoren in het Europees energiegebruik ziet er als volgt uit: industrie 41%, vervoer 22%, huishoudelijke en commerciële sector 37%.

Het energierendement is er de laatste tijd in West-Europa maar weinig op vooruit gegaan.

Het energiegebruik is verantwoordelijk voor luchtverontreiniging, verzuring, troposferisch ozon, klimaatsveranderingen en vele andere lokale gevolgen voor water, bodem en land.

20. Industrie

Hier wordt een overzicht gegeven van de milieu-effecten van de paneuropese industrie met bijzondere aandacht voor de verschillen tussen diverse delen van Europa. Het belang van de industrie in haar geheel voor emissies, afvalproduktie en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen wordt belicht en de "milieuscore" van bepaalde industrietakken beoordeeld. Veranderingen in het bedrijfsleven als antwoord op ecologische uitdagingen worden ook onder de loep genomen. Weinig industriële gegevens kunnen rechtstreeks in verband worden gebracht met milieu-effecten. Gegevens over produktie en energiegebruik zijn beschikbaar uit internationale bronnen, nationale rapporten en rapporten over de toestand van het milieu voor specifieke industrietakken.

Het energieverbruik per produktie-eenheid in de chemische industrie is tussen 1980 en 1989 met 30% gedaald.

De chemische, houtpulp- en papier-, staal- en non-ferro metaalindustrie hebben de ernstigste milieugevolgen.

Er tekent zich een trend af om de emissies van industriële bedrijven te verminderen.


Elektriciteitsproduktie per bron per landengroep, 1990
 

21. Vervoer

De milieugevolgen van het vervoer worden besproken en er wordt een overzicht gegeven van de situatie op vervoersgebied in geheel Europa, waarbij ook aandacht wordt geschonken aan regionale verschillen. De trends van de vervoersactiviteiten en hun gevolgen voor het milieu worden onderzocht, alsook enkele onderliggende krachten. Voorts worden de vooruitzichten voor het vervoer in Europa beoordeeld. De gebruikte gegevens zijn hoofdzakelijk afkomstig uit internationale bronnen, en met name de Europese Conferentie van ministers van Vervoer, Eurostat en UNECE. Gegevens uit wetenschappelijke literatuur worden gebruikt ter illustratie van enkele specifieke milieu-effecten.

Het privé-bezit van auto's is in West-Europa tussen 1970 en 1990 verdubbeld.

Het vervoer neemt 25% van alle met energieverbruik samenhangende CO2-emissies voor zijn rekening. Het wegvervoer is verantwoordelijk voor 80% daarvan.

De totale emissies van verontreinigende stoffen zullen de eerstkomende jaren nog toenemen, ofschoon de emissies per voertuig zullen verminderen.

De fragmentatie van het land door de vervoersinfrastructuur heeft meer en meer gevolgen voor het grondgebruik.

De afgelopen 20 jaar zijn alleen al in de EU ruim 1 miljoen mensen omgekomen bij verkeersongevallen.

22. Landbouw

De trends in de landbouwstructuur en -methoden die zijn ontstaan om te voldoen aan de vraag, worden besproken en de daaraan verbonden mogelijke effecten van de landbouw op het milieu aangegeven. Hoewel er op nationaal niveau, met name in de EU- en EVA-landen, veel gegevens beschikbaar zijn, hebben deze meestal betrekking op de produktie, de structuur van de arbeidsmarkt, het gebruik van meststoffen en pesticiden, dichtheid van de veestapel en omvang van landbouwbedrijven. Over de omvang en de bijdrage aan milieu-effecten van de landbouwproduktie en veranderingen in de landbouwstelsels zijn veel minder gegevens beschikbaar.

Landbouwproduktie en in de landbouw werkzame personen in enkele Europese landen

De landbouw beslaat 42% van het totale Europese landoppervlak. In West-Europa neemt de omvang van de landbouwbedrijven toe, terwijl het aandeel van de landbouw in de economie afneemt.

De produktie en de arbeidsproduktiviteit zijn er aanzienlijk op vooruitgegaan.

Landbouw leidt tot waterverontreiniging, vermindering van de bodemkwaliteit, verlies van biodiversiteit en landschapsveranderingen, maar lijdt zelf ook onder het milieubederf.

23. Bosbouw

Na een analyse van de toestand van de Europese bossen en de wijze waarop er gebruik van wordt gemaakt, volgt een overzicht van de mogelijke milieu-effecten van de daarmee samenhangende activiteiten en methoden en worden de belangrijkste drijvende krachten achter deze veranderingen aangegeven. De gebruikte gegevens zijn onder meer afkomstig uit de traditionele bosinventarissen, maar omvatten ook kwalitatieve informatie over specifieke milieu-effecten en niet-houtproducerende bosbouw.

De bossen beslaan 33% van het Europese landoppervlak. Dit komt neer op een vooruitgang met 10% over de afgelopen 30 jaar, voor het merendeel in het zuiden en het westen, terwijl in veel Oosteuropese landen het bosareaal ongewijzigd is gebleven of is afgenomen.

Door de introductie van niet-inheemse soorten is de samenstelling van de bossen gewijzigd.

Sinds 1965 is de Europese houtproduktie met 18% gestegen; het houtverbruik steeg in dezelfde periode met 28%.


Ontwikkeling bosgebieden in Europa (Russische Federatie uitgezonderd)

24. Visserij en aquacultuur

Hier worden aard en belang van de milieu-effecten van de visserij onderzocht en wordt een overzicht gegeven van de toestand op het gebied van de visserij en de aquacultuur in geheel Europa met bijzondere aandacht voor regionale verschillen. De doeltreffendheid van het bestaande visserijbeleid wordt beoordeeld. De meeste gegevens zijn afkomstig van internationale organisaties (FAO en Eurostat), de voorbeelden zijn ontleend aan rapporten over de toestand van het milieu en de wetenschappelijke literatuur.

Totale internationale visvangst in de Noordzee, 1903-1988

De visbestanden zijn overgeëxploiteerd in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

Verankerde netten en drijfnetten hebben nadelige gevolgen voor de mariene fauna, bijvoorbeeld dolfijnen en monniksrobben, maar mogelijk ook bruinvissen en zeevogels.

Afvalwater van de aquacultuur veroorzaakt waterverontreiniging.

De introductie van exotische soorten door de aquacultuur kan de inheemse soorten concurrentie aandoen of vervangen.

25. Toerisme en recreatie

Er wordt begonnen met een overzicht van de toestand op het gebied van toerisme en recreatie in geheel Europa met bijzondere aandacht voor lokale verschillen. De milieu-effecten van toerisme en recreatie worden beoordeeld in zes soorten gebieden: beschermde gebieden; plattelandsgebieden; bergen; kustgebieden; steden en monumenten; thema- en pretparken. De algemene trends worden aangegeven aan de hand van gegevens van de Wereldtoerisme-organisatie, maar omdat toeristische statistieken weinig zeggen over de belastingen die toerisme en recreatie voor het milieu met zich brengen, wordt van geval tot geval bekeken of er ook een beroep op nationale of plaatselijke gegevens moet worden gedaan.

Toerisme is een van de belangrijkste sociale en economische activiteiten in de EU.

De gevolgen ervan worden verergerd door de concentratie van toeristische activiteiten in korte vakantieperiodes en betrekkelijk kleine gebieden.

Skiën heeft aanzienlijke milieu-effecten, met name in de Alpen, die jaarlijks door 100 miljoen toeristen worden bezocht.

De Middellandse-Zeekust werd in 1990 door 157 miljoen toeristen bezocht.

Stadstoerisme komt meer en meer in trek.

26. Huishoudens

Hier worden de milieu-effecten van de huishoudens wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en emissies bekeken, onderliggende drijvende krachten en mogelijke controlemaatregelen beoordeeld. Specifieke gegevens over huishoudens en milieu zijn niet beschikbaar. Sociaal-economische gegevens zijn beschikbaar bij internationale organisaties, zoals Eurostat. Om het beeld te vervolledigen is gebruik gemaakt van op nationale gegevens berustende casestudies.

Het verbruik van de huishoudens vertegenwoordigt 70% van de industriële produktie in Europa.

De toename van het aantal huishoudens leidt, in combinatie met de kleinere omvang van die huishoudens, tot een stijgende vraag naar hulpbronnen.

De Westeuropese huishoudens hebben gemiddeld minstens één auto, wat tot aanzienlijke verstoringen van het milieu leidt.

Het volume huisafval blijft toenemen en hoewel 50% van het huisafval geschikt is om te worden herwonnen, wordt momenteel slechts 10% voor recycling opgehaald.

De Europese huishoudens nemen ongeveer 19% van het voor alle gebruik geleverde water af en dit aandeel vergroot nog.


Omvang Europese huishoudens, 1980-1990 (Euromonitor)

   
 
Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100