Landbouw en klimaatverandering

Taal wijzigen:
Article Gepubliceerd 14-10-2015 Laatst gewijzigd 11-07-2016 15:55
De landbouw draagt bij tot de klimaatverandering, maar ondervindt ook de gevolgen ervan. De EU moet de door de landbouw veroorzaakte broeikasgasemissies verminderen en haar voedselproductie aanpassen om het hoofd te kunnen bieden aan de gevolgen van de klimaatverandering. Klimaatverandering is echter slechts een van de vele lasten waarmee de landbouw te kampen heeft. De voedselproductie en -consumptie in de EU moeten in het licht van de wereldwijd groeiende vraag en de mondiale concurrentie om hulpbronnen in een breder perspectief worden gezien, waarbij aandacht wordt besteed aan de onderlinge verbanden tussen landbouw, energie en voedselzekerheid.

 Image © Javier Arcenillas, Environment & Me/EEA

Voedsel is een fundamentele menselijke behoefte en gezond eten is een belangrijke factor voor onze gezondheid en ons welzijn. Mettertijd heeft zich een complex en in toenemende mate geglobaliseerd productieen distributiesysteem ontwikkeld dat in onze behoefte aan voedsel en afwisseling van smaak voorziet. Vandaag de dag kan een in de Atlantische Oceaan gevangen vis binnen enkele dagen in een restaurant in Praag worden geserveerd met rijst afkomstig uit Indië. Evenzo worden Europese voedingsproducten in de rest van de wereld verkocht en geconsumeerd.

Bijdrage van de landbouw aan klimaatverandering

Voordat het eten op het bord komt, wordt ons voedsel geproduceerd, opgeslagen, verwerkt, verpakt, vervoerd en bereid. In elk stadium van de voedselvoorziening komen broeikasgassen vrij in de atmosfeer. Met name bij de landbouwproductie worden aanzienlijke hoeveelheden methaan en stikstofoxide uitgestoten, twee krachtige broeikasgassen. Methaan wordt door vee bij de spijsvertering geproduceerd door darmgisting en komt vrij bij oprispingen. Ook kan methaan ontsnappen uit opgeslagen mest en organisch afval op stortplaatsen. Emissies van stikstofoxide zijn een indirect product van organische en minerale stikstofhoudende meststoffen.

De landbouw was in 2012 verantwoordelijk voor 10 % van de totale broeikasgasuitstoot in de EU. Door een aanzienlijke afname van de veestapel, een doeltreffender gebruik van meststoffen en een beter beheer van dierlijke mest konden de landbouwemissies in de EU tussen 1990 en 2012 met 24 % worden verminderd.

De landbouw in de rest van de wereld vertoont echter een omgekeerde ontwikkeling. Tussen 2001 en 2011 namen de emissies door akkerbouw en veeteelt wereldwijd met 14 % toe. De toename deed zich voornamelijk in de ontwikkelingslanden voor als gevolg van een hogere landbouwproductie. Dit was vooral toe te schrijven aan de wereldwijd toenemende vraag naar voedsel en veranderingen in consumptiepatronen die hand in hand gingen met de stijging van de inkomens in sommige ontwikkelingslanden. De door darmgisting veroorzaakte emissies namen in deze periode met 11 % toe en maakten in 2011 39 % van de totale uitstoot van broeikasgassen in de sector uit.

Gezien het cruciale belang van voedsel in ons dagelijks leven blijft een verdere reductie van de broeikasgasemissies in de landbouw een hele uitdaging. Toch bestaat er op het gebied van de voedselproductie in de EU nog steeds potentieel voor een verdere vermindering van die emissies. Een doeltreffendere integratie van innovatieve technieken in de productieprocessen, zoals het afvangen van methaan uit mest, een doeltreffender gebruik van meststoffen en een efficiëntere vlees- en zuivelproductie (d.w.z. vermindering van de emissies per geproduceerde voedseleenheid) kunnen van nut zijn.

Naast dergelijke efficiëntieverbeteringen kunnen veranderingen aan consumptiezijde bijdragen tot een verdere daling van de bij de voedselproductie veroorzaakte broeikasgasemissies. Over het algemeen hebben van alle levensmiddelen vlees- en zuivelproducten de grootste voetafdruk qua uitstoot van koolstofdioxide en gebruik van grondstoffen en water per kilo. Wat broeikasgasemissies betreft, genereren de veestapel en de voederproductie elk meer dan 3 miljard ton CO2-equivalent. Het vervoer en de verwerking van voedingsproducten nadat deze het landbouwbedrijf hebben verlaten, zijn slechts verantwoordelijk voor een zeer klein deel van de voedselgerelateerde emissies. Door het weggooien van voedsel te voorkomen en onze consumptie van emissie-intensieve voedingsproducten te beperken, kunnen we ertoe bijdragen de broeikasgasemissies in de landbouw terug te dringen.

Gevolgen van klimaatverandering voor de landbouw

Gewassen zijn aangewezen op een geschikte bodem, water, zonlicht en warmte om te kunnen groeien. Hogere luchttemperaturen hebben er in grote delen van Europa reeds toe geleid dat het teeltseizoen langer is. De bloei en de oogst van graangewassen vinden inmiddels enkele dagen eerder in het seizoen plaats. Deze veranderingen zullen zich naar verwachting in vele regio's doorzetten.

Over het algemeen zou de landbouwproductie in Noord-Europa wel eens kunnen stijgen vanwege een langer teeltseizoen en langere vorstvrije perioden. Hogere temperaturen en langere teeltseizoenen maken het misschien ook mogelijk om nieuwe gewassen te verbouwen. In Zuid-Europa zullen extreme hitte, de afname van de neerslag en een beperktere beschikbaarheid van water de gewasproductiviteit naar verwachting doen dalen. De gewasopbrengsten zullen bovendien waarschijnlijk van jaar tot jaar verschillen als gevolg van extreme weersomstandigheden en andere factoren zoals plagen en ziekten.

In delen van het Middellandse Zeegebied kunnen sommige zomergewassen gezien de extreme hitte en het watertekort in de zomermaanden misschien in de winter worden verbouwd. In andere gebieden, zoals het westen van Frankrijk en Zuidoost-Europa, zal de opbrengst naar verwachting afnemen als gevolg van hete en droge zomers zonder dat de mogelijkheid bestaat om de teelt naar de winter te verplaatsen.

Veranderingen van temperaturen en teeltseizoenen kunnen tevens van invloed zijn op de vermenigvuldiging en verspreiding van bepaalde soorten, zoals insecten en invasieve onkruiden, of van ziekteverwekkers, wat weer gevolgen kan hebben voor de gewasopbrengsten. Een deel van de mogelijke opbrengstverliezen zal kunnen worden opgevangen door de toepassing van bepaalde landbouwpraktijken, zoals een aan de waterbeschikbaarheid aangepaste vruchtwisseling, de afstemming van zaaidata op temperatuur- en neerslagpatronen en het gebruik van gewasvariëteiten die beter geschikt zijn voor de nieuwe omstandigheden (bijvoorbeeld hitte- en droogtebestendige gewassen).

Maar niet alleen landvoedselbronnen ondervinden de gevolgen van de klimaatverandering. In de verdeling van sommige visbestanden in het noordoosten van de Atlantische Oceaan hebben zich reeds veranderingen voorgedaan die gevolgen hebben voor de gemeenschappen die voor hun voedselketen op die bestanden zijn aangewezen. Naast toenemend scheepvaartverkeer kunnen ook hogere watertemperaturen ertoe bijdragen dat invasieve mariene soorten zich buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied kunnen vestigen, waardoor lokale visbestanden verdwijnen.

Er zijn EU-fondsen, met inbegrip van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, middelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en leningen van de Europese Investeringsbank beschikbaar om boeren en vissers te helpen bij de aanpassing aan de klimaatverandering. Ook zijn er andere fondsen in het kader van het GLB, die bedoeld zijn om bij te dragen tot de vermindering van de door landbouwactiviteiten veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen.

Mondiale markten, mondiale vraag, mondiale opwarming ...

Overeenkomstig de voorziene groei van de wereldbevolking en veranderingen van de eetgewoonten met een trend naar een hogere vleesconsumptie zal de wereldwijde vraag naar voedsel in de komende decennia naar verwachting met misschien wel 70 % toenemen. De landbouw is nu al een van de economische sectoren met de grootste impact op het milieu. Deze aanzienlijke toename van de vraag zal logischerwijs tot nog meer druk op het milieu leiden. Hoe kunnen we in deze toenemende wereldwijde vraag voorzien en tegelijkertijd de nadelige gevolgen van de Europese voedselproductie en -consumptie voor het milieu afzwakken?

Een vermindering van de geproduceerde hoeveelheid voedsel is geen reële optie. De EU is een van de grootste voedselproducenten ter wereld en produceert ongeveer een achtste van de mondiale graanopbrengst, twee derde van alle wijn, de helft van alle suikerbieten en drie kwart van alle olijfolie ter wereld. Een vermindering van de productie van belangrijke voedingsmiddelen kan de voedselzekerheid in de EU en de rest van de wereld in gevaar brengen en de voedselprijzen op de wereldmarkten doen stijgen. Hierdoor zou het voor vele groepen van de wereldbevolking moeilijker worden om toegang te krijgen tot betaalbare en voedzame voedingsmiddelen.

Om meer voedsel op de bestaande landbouwgronden te kunnen produceren is een sterker gebruik van stikstofhoudende meststoffen noodzakelijk, die op hun beurt tot emissies van stikstofoxiden leiden en bijdragen aan de klimaatverandering. Intensieve landbouw en intensief gebruik van meststoffen zorgen er ook voor dat nitraten vrijkomen en in de bodem of in het water terechtkomen. Hoge concentraties nutriënten (in het bijzonder fosfaten en nitraten) in het water houden weliswaar niet rechtstreeks verband met de klimaatverandering, maar zijn de oorzaak van eutrofiëring. Door eutrofiëring wordt algengroei bevorderd en wordt zuurstof aan het water onttrokken, wat weer ernstige gevolgen heeft voor in het water levende organismen en de waterkwaliteit.

Zowel in Europa als in de rest van de wereld zou het gebruik van meer land om in de toenemende vraag naar voedsel te voorzien, grote gevolgen hebben voor het milieu en het klimaat. De goed voor landbouw geschikte gebieden worden in Europa grotendeels al gecultiveerd. Grond, met name vruchtbare landbouwgrond, is in Europa en andere delen van de wereld een beperkt beschikbare hulpbron.

De conversie van bosgebieden in landbouwgrond is evenmin een oplossing, aangezien bij dit proces broeikasgassen worden uitgestoten. Net als andere veranderingen in het bodemgebruik vormt ontbossing (waarvan thans voornamelijk buiten de Europese Unie sprake is) een gevaar voor de biodiversiteit, waardoor het vermogen van de natuur om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen (bijvoorbeeld door overvloedig regenwater te absorberen) verder wordt ondermijnd.

Concurrerende behoeften

Het is duidelijk dat wereldwijd meer voedsel zal moeten worden geproduceerd en dat belangrijke hulpbronnen beperkt beschikbaar zijn. De landbouw heeft een grote impact op het milieu en het klimaat. Bovendien is de klimaatverandering van invloed op de hoeveelheid voedsel die kan worden geproduceerd en de plaats waar dat mogelijk is.

Wie wat waar mag produceren is een sociaaleconomisch vraagstuk dat in de toekomst meer en meer omstreden zal zijn. De mondiale concurrentie om essentiële hulpbronnen leidt er vooral met het oog op de toekomstige gevolgen van de klimaatverandering toe dat ontwikkelde landen grote landbouwarealen in minder ontwikkelde landen opkopen. De aankoop van grond en de gevolgen van de klimaatverandering doen twijfels rijzen met betrekking tot de voedselzekerheid in met name de ontwikkelingslanden. Voedselzekerheid is niet alleen een kwestie van de productie van voldoende hoeveelheden voedsel, maar ook van toegang tot voedsel met voldoende voedingswaarde.

Om dit complexe probleem te kunnen aanpakken is een geïntegreerde beleidsbenadering voor klimaatverandering, energie en voedselzekerheid vereist. In het licht van de klimaatverandering en de concurrentie om schaarse hulpbronnen moet het voedselvoorzieningssysteem als geheel worden getransformeerd en veel hulpbronefficiënter worden gemaakt, bij een gelijktijdige vermindering van de impact ervan op het milieu, met inbegrip van broeikasgasemissies. De opbrengsten moeten worden verhoogd en tegelijkertijd moeten onze afhankelijkheid van landbouwchemicaliën en onze consumptie van hulpbronintensieve en broeikasgasintensieve voedingsmiddelen als vlees worden verminderd.

Hierbij mogen we niet vergeten dat boeren een centrale rol spelen bij de instandhouding en het beheer van de biodiversiteit in Europa. Zij vormen ook een cruciaal onderdeel van de plattelandseconomie. Daarom moet bij de vaststelling van beleidsmaatregelen voor het aanpakken van het probleem van de complexe samenhang van voedselproductie en milieu rekening worden gehouden met de impact van de landbouw op het milieu en het sociaaleconomische belang ervan voor vele gemeenschappen.

De landbouw draagt bij tot de klimaatverandering, maar ondervindt ook de gevolgen ervan. De EU moet de door de landbouw veroorzaakte broeikasgasemissies verminderen en haar voedselproductie aanpassen om het hoofd te kunnen bieden aan de gevolgen van de klimaatverandering. De voedselproductie en -consumptie in de EU moeten in het licht van de wereldwijd groeiende vraag en de mondiale concurrentie om hulpbronnen in een breder perspectief worden gezien, waarbij aandacht wordt besteed aan de onderlinge verbanden tussen landbouw, energie en voedselzekerheid.

Gerelateerde inhoud

Nieuws en artikelen

Related infographics

Verwante publicaties

Geographic coverage

Austria, Belgium, Bulgaria, Croatia, Cyprus, Czech Republic, Denmark, Estonia, Finland, France, Germany, Greece, Hungary, Iceland, Ireland, Italy, Latvia, Liechtenstein, Lithuania, Luxembourg, Malta, Netherlands, Norway, Poland, Portugal, Romania, Slovakia, Slovenia, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom
Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100