Beperking van de klimaatverandering

Taal wijzigen:
Article Gepubliceerd 14-10-2015 Laatst gewijzigd 03-06-2016 01:12
Topics: ,
2014 was het warmste jaar ooit gemeten. Het was ook opnieuw een jaar in een decennialange reeks van steeds warmere jaren. Om de opwarming van de aarde tot 2 °C boven het niveau van vóór de industrialisatie te kunnen beperken en de impact van de klimaatverandering te kunnen minimaliseren, moet de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer aanzienlijk worden beperkt. Regeringen kunnen hiertoe streefcijfers vastleggen, maar het is uiteindelijk aan de industrie, de ondernemingen, de lokale autoriteiten en de huishoudens om de nodige actie te ondernemen. Deze actie moet erop zijn gericht de emissies terug te brengen, de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren, de stijging van de temperaturen een halt toe te roepen en de klimaatverandering te beperken.

 Image © Miroslav Milev, Environment & Me/EEA

In 2014 zijn de temperaturen wereldwijd tot 0,69 °C boven het mondiale gemiddelde van de 20e eeuw gestegen. Wetenschappers zijn het erover eens dat de opwarming het gevolg is van de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer, die voornamelijk te wijten is aan de verbranding van fossiele brandstoffen door de mens. Deze opwarming zorgt er op haar beurt voor dat het klimaat verandert. Sinds de industriële revolutie is de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer gestaag toegenomen.

Broeikasgassen als koolstofdioxide (CO2) en methaan komen vrij op natuurlijke wijze en als gevolg van menselijke activiteiten. Door de verbranding van fossiele brandstoffen wordt CO2 toegevoegd aan de van nature in de atmosfeer voorkomende hoeveelheid van dat gas. Door de wereldwijde ontbossing wordt dit fenomeen versterkt, aangezien bomen CO2 onttrekken aan de atmosfeer. De landbouw en slecht beheerde stortplaatsen spelen een belangrijke rol bij de uitstoot van methaan. Daarnaast leidt de verbranding van fossiele brandstoffen tevens tot de uitstoot van verontreinigende stoffen als stikstofoxiden, zwaveloxide en stofdeeltjes in de atmosfeer.

Sommige van deze verontreinigende stoffen kunnen ook een rol spelen bij de opwarming (of, in het geval van aerosolen, de afkoeling) van het klimaat.

Aangezien deze gassen lang in de atmosfeer aanwezig blijven en de effecten ervan niet lokaal beperkt zijn, hebben zij een impact op het klimaat van de aarde, die van mondiaal belang is. Dit betekent dat mondiale afspraken over de beperking van de emissies van het hoogste belang zijn om een continue versnelling van de klimaatverandering te voorkomen.

Mondiale afspraken over klimaatverandering

Dit jaar komt de Conferentie van de partijen (Conference of the Parties — COP) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) van 1992 bijeen in Parijs om de nieuwste stap van de internationale politieke reactie op de klimaatverandering te coördineren. Voortbouwend op twee decennia aanhoudende onderhandelingen heeft COP21 tot doel een ambitieuze, wettelijk bindende en mondiale overeenkomst inzake klimaatverandering tot stand te brengen waarin doelstellingen voor broeikasgasemissies worden vastgelegd waaraan alle landen zich moeten houden. Die overeenkomst dient ook doelstellingen en maatregelen op het gebied van de aanpassing aan de klimaatverandering te omvatten, met bijzondere aandacht voor kwetsbare ontwikkelingslanden.

De inspanningen van de Europese Unie ter beperking van de broeikasgasemissies hebben succes. De EU zal haar unilaterale doelstelling van een vermindering met 20 % (ten opzichte van het niveau van 1990) naar verwachting vóór 2020, dat wil zeggen vóór de vastgestelde termijn, halen. Bovendien is de EU voornemens de Europese emissies tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen en de economie tegen 2050 nog koolstofarmer te maken. Maar ondanks het feit dat de EU haar emissies terugbrengt en een steeds kleiner aandeel heeft in de wereldwijde uitstoot, blijven de emissies op mondiaal niveau stijgen.

Regeringsbeleid en doelstellingen

Tijdens de in 2009 in Kopenhagen gehouden COP15 werd overeengekomen de opwarming van de aarde tot 2 °C boven het niveau van vóór de industrialisatie te beperken. Het is de bedoeling dat tijdens COP21 een „nieuw instrument" wordt ingevoerd om deze bovengrens te vertalen naar concrete maatregelen die vanaf 2020 ten uitvoer moeten worden gelegd. Naast de aanpassing aan de bestaande klimaatverandering dienen inspanningen ter beperking van de broeikasgasemissies en ter bevordering van de overgang naar een klimaatbestendige, koolstofarme samenleving en economie een belangrijke rol te spelen in deze internationale overeenkomst.

De nationale regeringen zijn verzocht om voorafgaand aan COP21 publiekelijk bekend te maken tot welke maatregelen zij in het kader van de nieuwe mondiale overeenkomst bereid zijn — dat wil zeggen op welke nationale bijdragen (Intended Nationally Determined Contributions - INDCs) zij mikken. De Europese Unie en haar lidstaten hebben hun INDC's reeds voorgelegd en aangegeven dat zij zich willen verbinden tot een vermindering van de Europese broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 40 % ten opzichte van het niveau van 1990. Deze bindende doelstelling moet door de EU als geheel worden bereikt. Dit streefcijfer is ook in overeenstemming met de doelstelling van de EU om haar broeikasgasemissies tegen 2050 met 80 tot 95 % terug te brengen ten opzichte van het niveau van 1990. Het UNFCCC is van plan om voorafgaand aan COP21 een samenvattend verslag met een overzicht van deze toezeggingen te publiceren.

Om aan deze verbintenissen te kunnen voldoen, moeten de regeringen een doeltreffend beleid uitstippelen en ten uitvoer leggen. Zo is bijvoorbeeld het EUemissiehandelssysteem (ETS) van centraal belang voor de Europese inspanningen om de klimaatverandering tegen te gaan. Het systeem regelt de beperking van de emissies van ongeveer 12 000 energiecentrales en industriële installaties in 31 landen door een bovengrens te stellen aan de totale hoeveelheid broeikasgassen die zij mogen uitstoten, waarbij dit plafond mettertijd wordt verlaagd. De Europese Commissie stelt dat de emissies in het kader van het ETS in 2030 43 % lager moeten zijn dan in 2005. Ondernemingen kopen en verkopen emissierechten, en aan het eind van het jaar moeten al hun emissies door rechten zijn gedekt, anders moeten zij hoge boetes betalen. Door het systeem komt een prijskaartje aan koolstof te hangen en worden ondernemingen beloond die hun emissies reduceren. Daarnaast heeft het ETS tot doel investeringen in schone, koolstofarme technologieën te stimuleren.

De boodschap van de regeringen aan vervuilers is duidelijk: de beperking van de emissies is niet alleen een kwestie van goodwill uit respect voor het milieu, maar is ook vanuit economisch oogpunt zinvol.

Energie en gebruik van grondstoffen

De impact van industriële activiteiten op het milieu is voornamelijk te wijten aan energieverbruik, chemische productieprocessen en het gebruik van hulpbronnen in de industriële productie. Tot voor kort werd aangenomen dat grotere economische welvaart en groei onlosmakelijk verbonden waren met een toename van de nadelige gevolgen voor het milieu. In de afgelopen twee decennia zijn sommige ontwikkelde landen echter begonnen de koppeling tussen economische groei en het verbruik van energie en grondstoffen te verbreken. Deze landen gebruiken inmiddels minder grondstoffen en energie om dezelfde productiewaarde te creëren en hebben tevens voor een vermindering van de koolstofuitstoot per energie-eenheid gezorgd. Deze dematerialisatie- en decarbonisatieprocessen hebben tot een vermindering van de broeikasgasemissies geleid. De technologische en gedragsfactoren die deze ontkoppeling in de hand hebben gewerkt, kunnen ook in ontwikkelingslanden bijdragen tot een matiging van hun emissies bij een groeiende economie. De energievoorzieningssector maakte voor de opwekking van elektriciteit traditioneel gebruik van fossiele brandstoffen met een hoog gehalte aan kooldioxide. Het feit dat thans sprake is van een overschakeling op korte termijn op technologie voor verbranding van het efficiëntere aardgas, evenals de toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, duiden erop dat de emissies van deze sector in de toekomst zelfs onder de huidige doelstellingen zullen blijven.

In de productiesector kunnen lessen worden geleerd van de natuur. Industriële ecologie is een discipline die parallellen tussen industriële en natuurlijke systemen onderzoekt en kenmerken aanwijst die door de industrie zouden kunnen worden overgenomen. In de natuur wordt bijvoorbeeld geen materiaal verspild. Alles wat bij een bepaald proces niet wordt gebruikt, wordt gerecycled en geschikt gemaakt voor andere toepassingen. Afvalproducten uit het ene proces dienen weer als bouwstenen van het andere, terwijl het hele systeem op zonne-energie werkt.

Levenscyclusanalyses worden in toenemende mate toegepast om te onderzoeken hoe hergebruik en recycling van energie en grondstoffen kunnen bijdragen tot de beperking van emissies. Bij levenscyclusanalyses wordt gekeken naar het totale energieverbruik en de totale emissies in lucht, water en bodem als indicatoren van mogelijke schadelijke effecten voor het milieu. Door levenscyclusanalyses in de besluitvorming te integreren kan het milieu worden beschermd en kunnen kosten worden bespaard en tegelijkertijd economisch voordeligere en minder vervuilende alternatieven worden bevorderd.

Andere sectoren moeten eveneens een bijdrage leveren aan toekomstige verminderingen van de emissies. De Europese Raad is overeengekomen om de emissies door sectoren die niet onder het ETS vallen, verder te reduceren met 30 % ten opzichte van het niveau van 2005. In de beschikking van de EU inzake de verdeling van de inspanningen (ESD) zijn voor de periode tot 2020 bindende jaarlijkse doelstellingen voor deze sectoren, zoals vervoer, bouw, landbouw en afvalverwerking, vastgesteld waaraan de afzonderlijke lidstaten moeten voldoen. De vervoersector is de belangrijkste bron van emissies die niet onder het ETS valt. De emissiereducties in de vervoersector zijn nog steeds beperkt, terwijl de beoogde verminderingen van de uitstoot in de landbouwsector eveneens van beperkte omvang zijn.

Ook steden en huishoudens moeten een bijdrage leveren

Een beperking van de klimaatverandering is niet alleen een zaak van de industrie die bepaalde doelstellingen moet zien te halen of overtreffen. Op nationaal, lokaal en individueel niveau is voor iedereen een taak weggelegd. Met name steden en huishoudens moeten in actie komen om de emissies terug te dringen.

De steden staan in de strijd tegen klimaatverandering in de frontlinie. In maart 2015 zijn de leiders van dertig Europese steden overeengekomen om hun collectieve jaarlijkse koopkracht van 10 miljard euro aan te wenden om milieuvriendelijke goederen en diensten aan te kopen in emissieintensieve sectoren als vervoer, verwarming en energievoorziening. Dit initiatief vormt een aanvulling op het Convenant van burgemeesters, een aaneensluiting van lokale en regionale Europese overheden die zich vrijwillig hebben verbonden tot een verhoging van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie op hun grondgebied. De thans 6 279 ondertekenaars hebben zich geëngageerd de EU-doelstelling van een vermindering van de emissies met 20 % tegen 2020 te verwezenlijken en te overtreffen.

Ook huishoudens spelen een essentiële rol. Consumptiepatronen kunnen zowel direct als indirect van invloed zijn op de uitstoot van broeikasgassen. Tussen 2000 en 2007 zijn door huishoudens in toenemende mate goederen en diensten aangeschaft die per bestede euro een minder grote belasting vormen voor het milieu. Met name werden in deze periode milieuvriendelijke aankopen gedaan op het gebied van huisvesting, water, vervoer, voedsel, niet-alcoholische dranken, elektriciteit en brandstoffen. De toename van de bestedingen in tal van deze consumptiecategorieën heeft de behaalde milieuwinst echter mogelijk tenietgedaan.

Dergelijke veranderingen van het consumptiegedrag hebben, naast de verbetering van productieprocessen en diensten, in alle gemeten consumptiecategorieën tot verminderingen van de emissies van broeikasgassen geleid. Er zijn echter verdere efficiëntieverbeteringen en een overgang naar minder milieubelastende consumptiepatronen nodig indien de totale mondiale consumptie blijft groeien. Bovendien mag de impact van de Europese consumptie op de productie van goederen buiten de EU niet worden onderschat.

Van mondiale streefdoelen tot concrete acties ter plaatse

Al met al is de boodschap duidelijk: het is van essentieel belang dat tijdens COP21 nieuwe klimaatafspraken worden gemaakt. Dergelijke afspraken zouden een belangrijke stap vormen in de richting van de vaststelling van doelstellingen voor emissiereducties en de aanwijzing van te nemen maatregelen voor de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering. Afspraken over emissiedoelstellingen alleen kunnen de klimaatverandering niet tegenhouden. Om dergelijke doelstellingen te kunnen verwezenlijken, is een goed opgezet, ambitieus en bindend beleid noodzakelijk dat verminderingen van de emissies waarborgt. Dit beleid moet een impuls geven aan de industrie en de huishoudens om de emissies in het gehele productie- en consumptieproces terug te dringen.

Het ligt voor de hand dat door economische activiteiten veroorzaakte emissies nauw verband houden met onze consumptiepatronen. Lokale autoriteiten, huishoudens en individuele burgers kunnen allemaal druk uitoefenen op bestaande productiesystemen. De vermindering van onze consumptie en het consumeren van producten en diensten met minder nadelige gevolgen voor het milieu zullen ertoe leiden dat producten en diensten anders worden vervaardigd en verkocht. Uiteindelijk begint de bestrijding van klimaatverandering bij onszelf.

De inspanningen van de Europese Unie ter beperking van de broekiasgasemissies hebben succes. De EU zal haarunilaterale doelstelling van een vermindering met 20 % (ten opzichte van het niveau van 1990) naar verwachting vóór 2020, dat wil zeggen vóór de vastgestelde termijn, halen. Bovendien is de EU voornemens de Europese tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen en de economie tegen 2050 nog koolstofarmer te maken. De EU is momenteel verantwoordelijk voor circa 10 % vand e wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.

Geographic coverage

Austria, Belgium, Bulgaria, Croatia, Cyprus, Czech Republic, Denmark, Estonia, Finland, France, Germany, Greece, Hungary, Iceland, Ireland, Italy, Latvia, Liechtenstein, Lithuania, Luxembourg, Malta, Netherlands, Norway, Poland, Portugal, Romania, Slovakia, Slovenia, Spain, Sweden, Switzerland, Turkey, United Kingdom
gearchiveerd onder: ,
Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100