Een paar basisbegrippen uit de economie en het milieu

Taal wijzigen:
Article Gepubliceerd 17-08-2014 Laatst gewijzigd 31-08-2016 15:12
In maart 2014 had de Franse hoofdstad Parijs te kampen met te hoge concentraties fijn stof. Dagenlang werd het particuliere autogebruik sterk aan banden gelegd. Aan de andere kant van de wereld introduceerde een Chinees bedrijf een nieuw product: een smogverzekering voor binnenlandse reizigers van wie het verblijf was verpest door slechte luchtkwaliteit. Hoeveel is schone lucht dan waard? Kan de economische wetenschap ons helpen om de vervuiling te beperken? Laten we een aantal economische basisbegrippen maar eens wat nader onder de loep nemen.

 Image © Gülcin Karadeniz

Het woord „economie" komt van het oudgriekse woord „oikonomia", wat „huishouding" betekent. Voor wat daaronder valt, moeten we nog verder terug in de tijd. Vroege gemeenschappen bestonden hoofdzakelijk uit grote families die allemaal samenwerkten om te zorgen dat de groep kon overleven en aan elementaire behoeften kon worden voldaan. De leden van de gemeenschap hadden uiteenlopende taken: zorgen voor voedsel, vinden of bouwen van onderdak enz.

Naarmate onze samenlevingen en de beschikbare technologie zich steeds verder ontwikkelden, begonnen hun leden zich te specialiseren in de verschillende taken die binnen de gemeenschap bestonden. Deze specialisatie ging gepaard met een toenemende ruilhandel van goederen en diensten, niet alleen binnen de gemeenschap maar ook met andere gemeenschappen.

Marktprijzen

Het gebruik van een gemeenschappelijke munteenheid bevorderde de handel. Of dat nou in de vorm van kralen, zilveren munten of euro's is, „geld" betekent dat impliciet is afgesproken dat iedereen die het heeft, het kan ruilen voor goederen of diensten. De werkelijke prijs — het aantal eenheden van de gemeenschappelijke valuta waartegen een product wordt geruild — is ook een overeenkomst tussen de koper en de verkoper.

Er worden verschillende modellen gebruikt om uit te leggen hoe markten de verkoop-/koopprijs bepalen. Een van de basisaannames is dat de koper of de consument een bepaalde waarde aan het product hecht en daarvoor wil betalen. Voor de meeste producten geldt dat steeds minder consumenten ze willen kopen naarmate de prijs hoger wordt.

Een andere aanname is dat de leverancier het product niet zou maken als het niet kan worden verkocht voor een prijs die hoger is dan de kosten om een eenheid van dat product te maken. In de echte wereld kunnen leveranciers hun producten onder de kostprijs verkopen om hun concurrenten uit de markt te prijzen. Dat heet „dumping".

Alles draait om „kosten". Hoe berekenen we de kosten? Zijn in de prijzen die we voor goederen en diensten betalen, ook de kosten meegerekend voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen — in technische termen „natuurlijk kapitaal" genoemd — of de kosten van de vervuiling door productie en consumptie?

Het korte antwoord is: nee. In marktprijzen worden bijna nooit alle werkelijke kosten van een product doorberekend — dus de productiekosten, maar ook de kosten voor het milieu (waaronder gezondheidskosten door aantasting van het milieu). Ons huidige economische stelsel is gebaseerd op een duizendjarige praktijk waarin altijd is aangenomen dat de natuur ons gratis ten dienste staat. Meestal dekt de prijs die wij voor grondstoffen (olie, ijzererts, water, hout enz.) betalen hun winning en transport en de kosten van de onderneming. Dat is een van de zwakste punten in het huidige economische stelsel en om twee belangrijke redenen is het niet eenvoudig om daar iets aan te doen.

Kosten laten zich moeilijk schatten

In de eerste plaats is het erg moeilijk om een schatting te maken van de kosten voor alle diensten en voordelen die de natuur ons biedt, of voor alle schade die onze activiteiten veroorzaken. Wat mensen of samenlevingen voor schone lucht willen betalen, kan enorm verschillen. Voor een bevolking die is blootgesteld aan ernstige vervuiling met fijn stof, kan het een fortuin waard zijn. Degenen die er elke dag al van kunnen genieten, besteden er wellicht nauwelijks aandacht aan.

Milieueconomen ontwikkelen boekhoudkundige concepten waarmee zij proberen een prijskaartje te hangen aan de voordelen die wij uit het milieu halen en aan de schade die wij met onze activiteiten aan het milieu toebrengen.

Voor een deel richt die milieuboekhouding zich op de kosten van schade, en wordt geprobeerd om voor de diensten een geldwaarde te berekenen. Voor luchtkwaliteit berekenen zij bijvoorbeeld de medische kosten van slechte luchtkwaliteit, het verlies aan mensenlevens, een lagere levensverwachting, ziekteverzuim enz. Zo kun je je ook afvragen hoeveel het waard is om in een rustige omgeving te wonen. Het prijsverschil voor vergelijkbare huizen kan worden gebruikt om een schatting te maken van de marktwaarde voor een stille omgeving.

Al deze berekeningen blijven slechts benaderingen. Het is lang niet altijd duidelijk in hoeverre een slechte luchtkwaliteit bijdraagt aan specifieke ademhalingsproblemen of lawaai aan lagere huizenprijzen.

Voor sommige hulpbronnen wordt in een milieuboekhouding ook geschat hoeveel van die hulpbron in een bepaald gebied beschikbaar is, bijvoorbeeld zoet water in een rivierbekken. Daarbij worden neerslag, de rivierstromen, oppervlaktewater en grondwater enz. bij elkaar opgeteld.

Fish for free

(c) Gülcin Karadeniz

Betalen voor milieudiensten

In de tweede plaats zou het enorme maatschappelijke consequenties hebben als we deze „extra kosten" op korte termijn zouden doorberekenen in de huidige prijzen, mochten we überhaupt al met een duidelijk prijskaartje kunnen komen. Toen in 2008 sommige belangrijke levensmiddelen in zes maanden tijd in prijs verdubbelden, trof deze enorme stijging iedereen, maar vooral de armsten. Een snelle omschakeling van een systeem waarin natuurlijke diensten gratis zijn naar een systeem waarin alle kosten worden doorberekend, zou maatschappelijk gezien nogal omstreden zijn.

Sommige milieukosten worden echter al wel doorberekend in de prijzen die wij voor bepaalde goederen en diensten betalen. Belastingen en subsidies worden door regeringen het vaakst gebruikt als instrumenten om marktprijzen „aan te passen".

Milieubelastingen zijn een extra kostenfactor in productprijzen, waardoor de verkoopprijs hoger wordt. Dat instrument zou kunnen worden gebruikt om de consumptie van bepaalde niet-duurzame producten te beïnvloeden. Zo kennen sommige Europese steden de zogenoemde congestieheffingen, waarbij alleen in stadscentra mag worden gereden door bestuurders van personenauto's die een extra heffing hebben betaald.

Ook kunnen subsidies worden gebruikt om consumenten vaker voor milieuvriendelijker producten te laten kiezen omdat die voor lagere prijzen worden verkocht. Deze instrumenten kunnen ook worden ingezet om achterstandsgroepen te ondersteunen in het kader van de bestrijding van maatschappelijke ongelijkheden.

Verder werken milieueconomen aan de concepten rondom een „milieubelastinghervorming". Daarbij onderzoeken ze hoe belastingen gunstiger kunnen uitpakken voor milieuvriendelijke alternatieven en hoe voor het milieu schadelijke subsidies kunnen worden hervormd.
Soms is een marktpartij (leverancier of koper) groot genoeg om de markt te beïnvloeden. Sommige groene technologieën en producten konden de markt pas betreden en met gevestigde partijen gaan concurreren nadat overheden hadden besloten om op deze technologieën over te stappen.

Hoewel de economische wetenschap ons helpt om sommige concepten achter onze consumptie- en productiepatronen, prijzen en prikkels beter te begrijpen, zijn er in onze geglobaliseerde wereld nog heel veel andere factoren, zoals technologie en politiek, die een rol kunnen spelen.

Gerelateerde inhoud

Nieuws en artikelen

Related briefings

Verwante publicaties

Geographic coverage

Europe
gearchiveerd onder: ,
Europees Milieuagentschap (EMA)
Kongens Nytorv 6
1050 Kopenhagen K
Denemarken
Telefoon: +45 3336 7100